Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB2038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200000974/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurvergoeding van niet-onderwijsgebouw kan worden beschouwd als een voorziening in de huisvesting inhoudende een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan in de zin van art. 76c.1.a,1(, WVO.

Vaststelling overzicht als bedoeld in art. 76g WVO, voor zover het betreft de door de appellante (de Vereniging voor Christelijk Onderwijs "Liudger") aangevraagde voorziening in de huisvesting voor het jaar 1998, inhoudende huur van het transformatorhuisje van het energiebedrijf ten behoeve van de Christelijke mavo te Winsum. Aan deze aanvraag ligt ten grondslag dat bij de bouw van deze school in 1987/1988 niet was voorzien in de bouw van een inpandige hoogspanningsruimte, die aan het energiebedrijf ter beschikking moet worden gesteld voor het aanbrengen van transformatoren. Wegens het ontbreken van zo'n ruimte is toen besloten tot de huur van een - gedeelte van een - transformatorhuisje van het energiebedrijf, waarvoor de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in de jaren 1988 tot en met 1996 en de gemeenteraad op basis van het overgangsrecht van de Wet van 4 juli 1996, voor het jaar 1997 een huurvergoeding hebben verstrekt. In dit geval voorziet het transformatorhuisje in de apparatuur die noodzakelijk is voor de aansluiting van de elektrische installatie van de school op het hoogspanningsnet en dus onmisbaar is voor de energievoorziening van de school. Een schoolgebouw zonder energievoorziening voldoet niet aan de redelijke eisen die een bevoegd gezag aan een huisvestingsvoorziening mag stellen.

Onder deze omstandigheden kan de gevraagde huurvergoeding van het niet-onderwijsgebouw worden beschouwd als een voorziening in de huisvesting inhoudende een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan in de zin van art. 76c.1.a,1(, WVO, en evenzeer als een voorziening in de huisvesting in de zin van art. 2.a, ten derde, van de verordening inhoudende de gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school.

De delen A en B van Bijlage I bij de verordening, waarin uitsluitend is voorzien in bekostiging van lesgebouwen respectievelijk voorzieningen voor lichamelijke oefeningen, dienen niet als limitatief te worden opgevat.

De rechtbank heeft dit miskend.

Gegrond hoger beroep.

De raad der gemeente Winsum.

mrs. P. van Dijk, J.H.B. van der Meer, C. de Gooijer

Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen

Wet op het voortgezet onderwijs 76c.1.a.1º, 76g

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Winsum 2, 12.1, 13.1

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200000974/1.

Datum uitspraak: 3 mei 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Vereniging voor Christelijk Onderwijs "Liudger", gevestigd te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 1 februari 2000 in het geding tussen:

appellante

en

de raad der gemeente Winsum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 1997 heeft de raad der gemeente Winsum (hierna: de gemeenteraad) - voorzover hier van belang - het overzicht van de voorzieningen die niet in het programma zijn opgenomen als bedoeld in artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) vastgesteld.

Bij besluit van 9 februari 1999 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 11 december 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 1 februari 2000, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 21 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 mei 2000 heeft de gemeenteraad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door R. Bijma, gemachtigde, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J. Samplonius en C. van Wijngaarden, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

Desgevraagd heeft appellante bij brief van 22 januari 2001 nadere stukken ingezonden. Hierop heeft de gemeenteraad bij brief van 25 januari 2001 gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zij verwezen naar de aangevallen uitspraak.

2.2. Het hoger beroep ziet op het oordeel van de rechtbank over de door de gemeenteraad gehandhaafde vaststelling van het overzicht als bedoeld in artikel 76g van de WVO, voorzover het betreft de door de appellante aangevraagde voorziening in de huisvesting voor het jaar 1998, inhoudende huur van het transformatorhuisje van de "Naamloze Vennootschap Energiebedrijf voor Groningen en Drenthe" (hierna: het energiebedrijf) aan de Meeden nummer 35 te Winsum ten behoeve van de Christelijke mavo "De Klockslach" te Winsum.

2.2.1. Aan deze aanvraag ligt ten grondslag dat bij de bouw van de onderhavige school in 198711988 niet was voorzien in de bouw van een inpandige hoogspanningsruimte, die aan het energiebedrijf ter beschikking moet worden gesteld voor het aanbrengen van transformatoren. Wegens het ontbreken van zo'n ruimte is toen besloten tot de huur van een - gedeelte van een - transformatorhuisje van het energiebedrijf, waarvoor de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in de jaren 1988 tot en met 1996 en de gemeenteraad op basis van het overgangsrecht van de Wet van 4 juli 1996, Stb. 1996, 402, voor het jaar 1997 een huurvergoeding hebben verstrekt. In dit geval voorziet het transformatorhuisje in de apparatuur die noodzakelijk is voor de aansluiting van de elektrische installatie van de school op het hoogspanningsnet en dus onmisbaar is voor de energievoorziening van de school. Een schoolgebouw zonder energievoorziening voldoet niet aan de redelijke eisen die een bevoegd gezag aan een huisvestingsvoorziening mag stellen.

2.2.2. Onder deze omstandigheden kan de gevraagde huurvergoeding van het desbetreffende niet-onderwijsgebouw worden beschouwd als een voorziening in de huisvesting inhoudende een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan in de zin van artikel 76c, eerste lid, onder a, ten eerste, van de WVO, en evenzeer als een voorziening in de huisvesting in de zin van artikel 2, aanhef en onder a, ten derde, van de verordening inhoudende de gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school. De delen A en B van Bijlage I bij de verordening, waarin uitsluitend is voorzien in bekostiging van lesgebouwen respectievelijk voorzieningen voor lichamelijke oefening, dienen niet als limitatief te worden opgevat.

2.2.3. De rechtbank heeft dit miskend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen door het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De gemeenteraad dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De gemeenteraad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 1 februari 2000, AWB 99/274 BESLU V12;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de beslissing op bezwaar van de raad der gemeente Winsum van 9 februari 1999;

V. draagt de raad der gemeente Winsum op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de raad der gemeente Winsum in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,--, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Winsum te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat de gemeente Winsum aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (in totaal f 1.125,--) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. C. de Gooijer, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2001

66-282.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,