Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB0119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199902753/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2001, 66K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

Van State

199902753/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 31 augustus 1999 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Ruurlo.

1 Procesverloop

Bij besluit van 17 november 1998 hebben burgemeester en wethouders van Ruurlo (hierna: burgemeester en wethouders) appellant preventief onder aanzegging van bestuursdwang gelast het plaatsen van de door hem bewoonde caravan op enige locatie binnen de gemeentegrenzen, niet zijnde één van de vier nader genoemde campings, na 30 november 1998 te staken.

Bij besluit van 2 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 augustus 1999, verzonden op 13 september 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 oktober 1999, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief 15 november 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2000, waar appellant in persoon, vergezeld van [...], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.A. Wildenbeest, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet op de Openluchtrecreatie (hierna: de WOR) is het verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen waarvoor vergunning, vrijstelling of ontheffing is verleend. Op grond van artikel 1, onder c, van de WOR omvat het begrip kampeermiddel o.a. caravans.

Ingevolge artikel 22, leden 1 en 2, onder a, van de bepalingen behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" is het gebruik van onbebouwde gronden als staplaats voor onderkomens, met uitzondering van kleinschalige kampeerterreinen, verboden. Op grond van artikel 1, onder ee, van de planvoorschriften omvat het begrip onderkomens onder andere caravans.

2.2. in de gemeente Ruurlo bevinden zich vier kampeerterreinen waarvoor een vergunning is verleend ingevolge de WOR om het hele jaar als kampeerterrein geopend te zijn. Daarnaast bevinden zich in de gemeente Ruurlo een aantal kleinschalige kampeerterreinen (minicampings), waarvoor ontheffing is verleend ingevolge de WOR om gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober van eik jaar als kampeerterrein geopend te zijn. In de periode van 15 maart tot 31 oktober 1998 heeft appellant met zijn caravan op het kleinschalige kampeerterrein van [campinghouder] te [woonplaats] (hierna: [campinghouder]) verbleven. Bij brief van 3 november 1998 heeft de gemeente appellant meegedeeld te hebben besloten om [campinghouder] ontheffing te verlenen voor het geplaatst houden van de door appellant bewoonde caravan tot en met uiterlijk 30 november 1998.

2.3. Vast staat dat ten tijde van het nemen van de bestuursdwangaanschrijving van 17 november 1998 nog geen sprake was van overtreding van een wettelijk voorschrift en dat sprake is van het preventief aanzeggen van bestuursdwang. Artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht opent naar zijn bewoordingen niet de mogelijkheid van een zodanig besluit. Naar het oordeel van de Afdeling kan een dergelijk besluit tot het voorkomen van daadwerkelijke overtreding slechts worden genomen indien sprake is van een klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift, indien die overtreding in de beschikking kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit het oogpunt van rechtszekerheid ten aanzien van handhavingsbeschikkingen is vereist.

2.3.1. Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende aannemelijk dat ten tijde van het nemen van de bestuursdwangaanschrijving, die bij de beslissing op bezwaar is gehandhaafd, een klaarblijkelijk gevaar bestond voor overtreding van wettelijke voorschriften na 30 november 1998, omdat appellant na die datum de door hem bewoonde caravan geplaatst zou houden buiten één van de vier kampeerterreinen waarvoor een vergunning is verleend ingevolge de WOR om het hele jaar als kampeerterrein geopend te zijn. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant ten tijde van de bestuursdwangaanschrijving niet de beschikking had over een woning, dat de caravan gedurende het hele winterseizoen 1997 - 1998 illegaal op de gemeentegrond is geplaatst en dat geen van de vier campinghouders, die een vergunning is verleend om het hele jaar als kampeerterrein geopend te zijn, bereid was appellant toe te laten.

Burgemeester en wethouders waren dus bevoegd tot het preventief aanzeggen van bestuursdwang.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders hadden moeten afzien van het aanwenden van hun bevoegdheid tot optreden, is niet gebleken. Hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht is onvoldoende om een bijzonder geval aan te nemen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Ouwehand

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2001

224.

Verzonden: 16 januari 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,