Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB0115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903557/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

199903557/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Vughts Landschap, gevestigd te Vught, appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 oktober 1999 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Vught.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 1998 hebben burgemeester en wethouders van Vught (hierna: burgemeester en wethouders) aan de Eerstaanwezend Directeur Directie Zuid Nederland van het Ministerie van Defensie te Eindhoven met gebruikmaking van de daartoe door gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 10 september 1998 afgegeven verklaring van geen bezwaar aanlegvergunning verleend voor het verrichten van (herstel-) werkzaamheden c.q. het treffen van inrichtingsmaatregelen op de Vughtse heide.

Bij besluit van 26 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 15 januari 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 oktober 1999, verzonden op 29 oktober 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 4 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 december 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 3 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Defensie een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr K. Van der Zanden, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door A.J.M. van Son en drs. ing. M.A. Pullens, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn ter zitting verschenen de minister van Defensie, vertegenwoordigd door mr. H. Zilverberg, ambtenaar ten departemente, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door J.V. Nefkens, ambtenaar der provincie.

Er zijn nog stukken ontvangen van gedeputeerde staten. Deze zijn aan appellante toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ten tijde van het indienen van de aanvraag op 4 december 1996 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1981 " rust op de Vughtse heide de bestemming "militair terrein met natuur-en recreatiewaarde.

2.2. Ingevolge artikel 12, aanhef van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart als "militair terrein met natuur- en recreatiewaarde" aangewezen gronden bestemd voor het houden van militaire oefeningen waarbij verplaatsingsmiddelen een ondergeschikte rol spelen; voor behoud en/of herstel van de op die gronden voorkomende en daaraan eigen natuur- en landschapswaarden en - voorzover dit geen aanleiding kan geven tot strijdigheid met de hiervoor genoemde doelstellingen - voor dagrecreatieve doeleinden (wandelen, paardrijden en picknicken).

Ingevolge artikel 12, lid D, onder 1, is het verboden op de gronden die tot "militair terrein met natuur- en recreatiewaarde" zijn bestemd, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning de daarin genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren.

Ingevolge artikel 12, lid D, onder III, zijn werken of werkzaamheden als bedoeld onder 1 slechts toelaatbaar, indien hierdoor niet de in de doeleindenomschrijving opgesomde belangen onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.3. De werkzaamheden waarvoor aanlegvergunning is gevraagd houden verband met de herinrichting van de Vughtse heide als militair oefenterrein en zien mede op het gebruik van rupsvoertuigen. Onder meer zullen zones worden ingericht voor in totaal 20 opstelplaatsen en bestaande zandpaden waar nodig worden verbreed.

2.4. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat rupsvoertuigen verplaatsingsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 12, aanhef van het bestemmingsplan.

2.5. Appellante heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende is aangetoond dat in het onderhavige geval sprake is van militaire oefeningen waarbij verplaatsingsmiddelen een ondergeschikte rol spelen.

2.6. Dit betoog faalt. Uit het rapport "Inrichting en gebruik Vughtse heide" en de nadere toelichting van burgemeester en wethouders van 7 september 1999 blijkt dat op de Vughtse heide maximaal 102 dagen per jaar militaire oefeningen zullen plaatsvinden. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van maximaal 8 wielvoertuigen en op maximaal 66 dagen daarvan (tevens) van maximaal 4 rupsvoertuigen (YPR). De rupsvoertuigen worden gebruikt als oefenobject dat op een vaste positie staat en als transportmiddel van personen en materialen van en naar de oefenplaatsen. De tijd dat een rupsvoertuig zich verplaatst bedraagt maximaal één uur per dag.

Gelet hierop is ook de Afdeling van oordeel dat het gebruik van voertuigen als verplaatsingsmiddel bij de oefeningen een ondergeschikte rol speelt.

Dat de voertuigen tevens worden gebruikt als statisch oefenobject is niet van belang voor de beoordeling van de vraag of verplaatsingsmiddelen bij de militaire oefeningen een ondergeschikte rol spelen en is bovendien niet in strijd met het bestemmingsplan.

2.7. Mede gelet op de maatregelen die in het rapport "Inrichting en gebruik Vughtse heide" worden genoemd ter behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden van de lunetten, de natuurwaarden van de aanwezige vennen en van de heidevegetatie, en ter regulering van de recreatie, op welke maatregelen de aanvraag mede ziet, is ook de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van een onevenredige aantasting dan wel verkleining van de mogelijkheden voor herstel van de natuurwaarde van de Vughtse heide. Anders dan appellante heeft betoogd hebben deze maatregelen betrekking op de gehele Vughtse heide en niet uitsluitend op de lunetten.

2.8. Appellante heeft voorts nog betoogd dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de herinrichting van de Vughtse heide leidt tot aantasting van de groene hoofdstructuur, hetgeen in strijd zou zijn met het provinciaal Streekplan, alsmede dat intensivering van het militair gebruik van de Vughtse heide niet in overeenstemming is met het op 20 januari 1987 vastgestelde uitwerkingsplan militaire terreinen van de streekplannen Midden-, Oost- en West-Brabant.

2.9. Naar de Afdeling uit de stukken en het verhandelde ter zitting evenwel is gebleken zijn de voor de beoordeling van de onderhavige besluiten van belang zijnde planologische uitgangspunten van het provinciaal beleid neergelegd in het op 17 juli 1992 vastgestelde streekplan voor de provincie Noord-Brabant en het op 13 december 1994 vastgestelde Stadsregionale Uitwerkingsplan van het streekplan voor de regio 's-Hertogenbosch. In deze plannen is de Vughtse heide aangeduid als militair oefenterrein.

In aanmerking genomen dat met het herinrichtingsplan mede het herstel van natuur-en landschapswaarden is beoogd is voorts geen sprake van een wezenlijke aantasting van de groene hoofdstructuur.

Het betoog van appellante dat de door gedeputeerde staten ten behoeve van het inrichtingsplan afgegeven verklaring van geen bezwaar in strijd is met het streekplan faalt dan ook.

2.10. Evenals de rechtbank is de Afdeling derhalve van oordeel dat burgemeester en wethouders, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, met gebruikmaking van bedoelde verklaring van geen bezwaar de aanlegvergunning terecht hebben verleend.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2001

110-71.

Verzonden: 16 januari 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,