Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB0022

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903084/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2001/215
JBO 2005/385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

199903084/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de Stichting Arent van 's-Gravensande, gevestigd te Leiden,

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

3. de Stichting Leiden American Pilgrim Museum, gevestigd te Leiden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 12 oktober 1999 in het geding tussen:

appellanten sub 1 en sub 2

en

burgemeester en wethouders van Leiden.

1 Procesverloop

Bij besluit van 20 december 1995 hebben burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: burgemeester en wethouders) aan de Dienst Bouwen en Wonen, sektor Wonen, van de gemeente Leiden, onder voorwaarden vergunning verleend voor de sloop van de muurresten van de vroegere Vrouwenkerk op het Vrouwenkerkhof alsmede vergunning verleend voor het wijzigen van het beschermde monument.

Bij besluiten van 26 maart 1998, nos. 95.0480 M (herzien) en 95.0480 S (herzien) hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante sub 1 (hierna: de Stichting Arent) en appellant sub 2 (hierna: [appellant]) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden beslissing gehandhaafd, met dien verstande dat deze is herzien in twee beslissingen en dat de voorwaarden van de monumentenvergunning zijn gewijzigd. Deze besluiten en het advies van Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van 22 juli 1996 zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 oktober 1999, verzonden op 18 oktober 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de door de Stichting Arent tegen het besluit no. 95.0480 M (herzien) en de door [appellant] tegen beide besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting Arent bij brief van 11 november 1999, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 1999, [appellant] bij brief van 25 november 1999, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 1999, en appellante sub 3 (hierna: het Museum) bij brief van 29 november 1999, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het Museum van repliek gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2000, waar de Stichting Arent, vertegenwoordigd door ir.drs. W. Kuyper, voorzitter, [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. L.B. Sauerwein, advocaat te Amsterdam, het Museum, vertegenwoordigd door dr. J.D. Bangs, voorzitter, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het Museum heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit noch beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het heeft de rechtbank verzocht op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de gelegenheid te worden gesteld als partij aan het geding deel te nemen, op welk verzoek de rechtbank aanvankelijk in gunstige zin, maar in de aangevallen uitspraak afwijzend heeft beslist. Gesteld noch gebleken is dat het Museum niet redelijkerwijze kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt en geen beroep te hebben ingesteld. De conclusie uit het vorenstaande is dat artikel 6:13 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb aan ontvankelijkheid van het hoger beroep van het Museum in de weg staat. Aan een oordeel over de beslissingen van de rechtbank om het Museum al dan niet als partij tot het geding toe te laten, komt de Afdeling derhalve niet toe.

2.2. Aanleiding voor de bestreden besluiten vormde blijkens de stukken "de verloedering" van het Vrouwenkerkhof, die zich volgens burgemeester en wethouders na de restauratie van de muurresten in 1982 gaandeweg heeft geopenbaard. Burgemeester en wethouders hebben in de beslissing op bezwaar er op gewezen dat de muurresten het plein een rommelig aanzien geven. Het lage aanzien waarin het plein stond, is nog versterkt door het feit dat de resten incidenteel voorwerp zijn geweest van vandalisme en graffiti, aldus burgemeester en wethouders. In het kader van de herwaardering van het plein is aan de zuidoostzijde ervan begin jaren negentig nieuwbouw verrezen, waardoor de achterkant van de aan de Haarlemmerstraat gelegen bebouwing aan het zicht is onttrokken. Het plein is hierdoor kleiner geworden. Een deel van de muurresten is door deze nieuwbouw aan het zicht onttrokken. De sloop van de overige muurresten is de volgende stap in de door burgemeester en wethouders nagestreefde totale herinrichting van het Vrouwenkerkhof.

2.3. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden staande gehouden dat burgemeester en wethouders, mede gelet op de adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 29 september 1995 en de Monumentenbeheercommissie van 21 september 1995, bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van de monumentenvergunning en van de sloopvergunning hebben kunnen overgaan. Evenmin als de rechtbank is de Afdeling gebleken dat deze adviezen niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn. De adviezen zijn weliswaar summier, maar niet ondeugdelijk gemotiveerd. Hoewel de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in zijn nadere motivering van zijn advies bij brief van 11 mei 1999 heeft voorgesteld dat als tegemoetkoming in het conflict zou kunnen worden besloten een deel van de koorresten van de kerk te laten staan, is hij in deze aanvulling niet teruggekomen van zijn advies van 29 september 1995. Beide adviseurs hebben zich ermee kunnen verenigen dat burgemeester en wethouders het belang van de stedebouwkundige verbetering, die verwijdering van de resten van de kerk oplevert, zwaarder laten wegen dan het belang van behoud van het historisch waardevolle monument. De Monumentenwet 1988 biedt geen grond voor het oordeel dat overwegingen van stedebouwkundige aard bij de beslissing omtrent het behoud van een monument geen rot zouden mogen spelen.

2.4. De Afdeling neemt bij het vorenstaande in aanmerking dat aan burgemeester en wethouders niet de bevoegdheid kan worden ontzegd op basis van nieuwe ontwikkelingen hun beleid, dat aanvankelijk was gericht op behoud van de muurresten, te wijzigen. Het betoog van de Stichting Arent dat burgemeester en wethouders met het laten verrijzen van de nieuwbouw aan de zuidoostzijde van het Vrouwenkerkhof, waarbij ook reeds muurresten zouden zijn gesloopt, een ontwikkeling in gang hebben gezet die hen vrijwel geen andere keuze liet dan tot het verlenen van de onderhavige vergunningen over te gaan, kan, wat hier ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat de onderhavige vergunningen niet in stand kunnen blijven. Ook de aan deze bebouwing ten grondslag liggende besluiten konden immers in rechte worden aangevochten, hetgeen - zij het zonder succes - is gebeurd.

2.5. Evenmin is relevant of de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (thans: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) een machtiging heeft verleend, hetgeen volgens artikel 19 van de Beschikking van de minister van 16 januari 1936, no. 381, Afd. K.W., vereist is, wanneer wijzigingen worden aangebracht aan een monument voor de instandhouding waarvan rijkssubsidie is verleend. Indien sprake zou zijn van overtreding van dit artikel, kan dit immers slechts leiden tot terugvordering van de subsidie.

Voor de stelling dat de Raad van Cultuur om advies had moeten worden gevraagd, is geen steun te vinden in de Monumentenwet 1988 of de gemeentelijke bouwverordening.

2.6. De Afdeling wijst er tenslotte op dat het beroep op artikel 5 van de Conventie voor de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa van 3 oktober 1985 faalt, omdat deze bepaling zich met een instructienorm tot de lidstaten richt en zich derhalve niet leent voor rechtstreekse toepassing in het onderhavige geding.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van de Stichting Arent en [appellant] ongegrond zijn. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Stichting American Pilgrim Museum niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2001

43-306.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,