Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AA9979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903519/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In dit geval kan het bereikbaarheidsvereiste van art. 2.5.3 bouwverordening er niet zonder meer toe leiden dat de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheid blijvend teniet wordt gedaan.

Weigering bouwvergunning voor de oprichting van vier woningen op de grond dat niet is voldaan aan het bereikbaarheidsvereiste van art. 2.5.3.1 bouwverordening.

Ingevolge dit artikelonderdeel moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor verblijf van mensen is bestemd meer dan tien meter is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.

Volgens B&W is niet voorzien in een adequate ontsluiting van het perceel vanaf de openbare weg Het Zand. Anders dan B&W menen vormt voor de beoordeling van de onderhavige vergunningaanvraag nog het als bestemmingsplan aan te merken "Uitbreidingsplan Partieel Plan Het Zand" uit 1941 het toetsingskader. Het bouwplan is in overeenstemming met de ingevolge dit plan op het perceel rustende bestemming.

Aangezien het Uitbreidingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen, hebben B&W, gelet op art. 9.2 Woningwet, het bouwplan derhalve terecht mede getoetst aan art. 2.5.3.1 bouwverordening. Nu de bouw van de vier woningen op grond van de geldende bestemming is toegestaan, kan, naar het oordeel van de Afdeling, in dit geval de in art. 2.5.3 neergelegde eis er evenwel niet zonder meer toe leiden dat deze bouwmogelijkheid blijvend teniet wordt gedaan. Daartoe is van belang dat de breedte van het Zandpaadje, gelegen tussen het perceel en de openbare weg, wordt beperkt door een hierop ter hoogte van Het Zand geplaatste betonnen paal. Zonder deze paal is het Zandpaadje voldoende breed om te kunnen dienen als verbindingsweg ex art. 2.5.3.1 bouwverordening.

B&W hadden in dit geval dan ook behoren te onderzoeken op welke wijze de belemmeringen om het Zandpaadje als verbindingsweg te kunnen aanmerken kunnen worden opgeheven.

Gegrond hoger beroep.

Burgemeester en wethouders van Boxmeer.

mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, J.H.B. van der Meer, P.J.J. van Buuren

Woningwet 9.1, 9.2, 44.b

Bestemmingsplan "Het Zand": gemeente Boxmeer

Uitbreidingsplan Partieel Plan Het Zand: gemeente Boxmeer 4.3

Bouwverordening gemeente Boxmeer 2.5.3, 2.5.3.1

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 147 met annotatie van A.A.J. de Gier
BR 2001/113
Gst. 2001-7143, 6 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

199903519/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

van 15 oktober 1999 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Boxmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: burgemeester en wethouders ) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van vier halfvrijstaande herenhuizen aan het Zandpaadje te Boxmeer, kadastraal bekend gemeente Boxmeer, sectie […], nr […].

Bij besluit van 16 november 1998 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 21 september 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 oktober 1999, verzonden op 11 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2000, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van der Velden, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Appellant is, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Boxmeer (hierna: de bouwverordening).

2.2. Ingevolge artikel 2.5.3, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor verblijf van mensen is bestemd meer dan tien meter is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.

2.3. Burgemeester en wethouders hebben de bouwvergunning geweigerd, aangezien niet is voorzien in een adequate ontsluiting van het perceel vanaf de openbare weg Het Zand. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat het Zandpaadje, dat is gelegen tussen het perceel en Het Zand, een fietspad is waarop ontsluitingsverkeer niet mag rijden en dat bovendien vanwege de beperkte breedte niet geschikt is als verbindingsweg. De aanleg van een ontsluitingsweg over het Zandpaadje zou in strijd zijn met het bestemmingsplan "Het Zand", aangezien ter plaatse de aanduiding langzaam-verkeersverbinding geldt. Dit bestemmingsplan voorziet ook niet in een ontsluiting over de strook grond tussen Het Zand en de andere zijde van het perceel.

2.4. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet blijven de voorschriften van de bouwverordening, voor zover deze niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, buiten toepassing. Ingevolge artikel 9, tweede lid, blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.5. Bij besluit van 1 juli 1993 heeft de raad van de gemeente Boxmeer het bestemmingsplan "Het Zand" vastgesteld. Daarin is het onderhavige perceel bestemd voor "Woondoeleinden" met de aanduidingen "tuin" en "achtertuin". Een strook grond tussen het perceel en Het Zand is daarin bestemd tot "Groenvoorzieningen" en "Woondoeleinden".

2.5.1. Bij uitspraak van 26 augustus 1996 heeft de Afdeling het besluit van gedeputeerde staten van Brabant van 27 januari 1994 tot goedkeuring van het bestemmingsplan vernietigd, onder meer voor zover dit besluit betrekking heeft op het onderhavige perceel en op de strook grond tussen het perceel en Het Zand.

2.5.2. Vanwege de omstandigheid dat in het ontwerp-plan bedoelde strook grond was bestemd voor "Verkeersdoeleinden" en van de zijde van de gemeenteraad was medegedeeld dat de plankaart op dit onderdeel ten onrechte was aangepast heeft de Afdeling, zelf in de zaak voorziend, aan dit plandeel goedkeuring onthouden.

Anders dan appellant heeft betoogd heeft de Afdeling aldus niet zelf aan bedoelde strook grond de bestemming "Verkeersdoeleinden" toegekend. De gemeenteraad zal met in achtneming van de uitspraak van de Afdeling aan de strook grond een bestemming dienen te geven.

2.5.3. Vervolgens hebben gedeputeerde staten bij besluit van 31 oktober 1996 alsnog goedkeuring onthouden aan het op het onderhavige perceel betrekking hebbende deel van het bestemmingsplan.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat voor de beoordeling van de aanvraag voor dit perceel nog het als bestemmingsplan aan te merken "Uitbreidingsplan Partieel Plan Het Zand" uit 1941 het toetsingskader vormt.

2.6.1. Ingevolge dit plan rust op het onderhavige perceel de bestemming "gesloten bouw C”.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de bij dit plan behorende "Bebouwingsvoorschriften van Boxmeer" wordt onder "gesloten bouw C" verstaan bebouwing met aaneengebouwde woningen met een minimum inhoud per woning van 600 M3 . Aan één zijde vrijstaande woningen zijn toegelaten.

2.6.2. Naar van de zijde van burgemeester en wethouders ter zitting ook is erkend is het bouwplan in overeenstemming met deze bestemming.

2.7. De Afdeling stelt voorop dat gelet op artikel 9, tweede lid, van de Woningwet artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening in beginsel van toepassing is, aangezien het als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan Partieel Plan Het Zand" geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen. Burgemeester en wethouders hebben derhalve het bouwplan terecht mede aan genoemd artikel 2.5.3., eerste lid, getoetst.

2.7.1. Nu de bouw van de vier woningen op grond van de op het perceel rustende bestemming is toegestaan kan, naar het oordeel van de Afdeling, in dit geval de in artikel 2.5.3. neergelegde eis er evenwel niet zonder meer toe leiden dat deze bouwmogelijkheid blijvend teniet wordt gedaan. Daartoe acht de Afdeling van belang dat de breedte van het Zandpaadje wordt beperkt door een hierop ter hoogte van Het Zand geplaatste betonnen paal. Zonder deze paal is het Zandpaadje, naar van de zijde van burgemeester en wethouders ter zitting is bevestigd, voldoende breed om te kunnen dienen als verbindingsweg in de zin van artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening. Burgemeester en wethouders hadden in dit geval dan ook behoren te onderzoeken op welke wijze de belemmeringen om het Zandpaadje als verbindingsweg te kunnen aanmerken kunnen worden opgeheven.

2.8. Anders dan de rechtbank is de Afdeling derhalve van oordeel dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de bouwvergunning moest worden geweigerd wegens strijd met artikel 2.5.3. van de bouwordening. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 44, aanhef en onder b, van de Woningwet genomen.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.10. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 15 oktober 1999, AWB 98/9370 BOUWB;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 16 november 1998, RB;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Boxmeer in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.130,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Boxmeer te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat gemeente Boxmeer aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 550,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2001

32-71.

Verzonden: 25 jan. 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,