Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AB0018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200001210/01
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2000/3043

Uitspraak

Raad

van State

200001210/01.

Datum uitspraak: 19 december 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 14 februari 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Gouda.

1 Procesverloop

Bij besluit van 7 september 1998 heeft de raad van de gemeente Gouda (hierna: de gemeenteraad) verzoeken van - onder meer - appellanten om vergoeding van schade, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 1999 heeft de gemeenteraad het daartegen door - onder meer -appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 februari 2000, verzonden op 16 februari 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders van Gouda, daartoe gedelegeerd door de gemeenteraad, een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. drs. L.A. van Montfoort, gemachtigde, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door B. van Oosten, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Het geschil betreft de weigering om appellanten planschade te vergoeden die zij stellen te lijden ten gevolge van een besluit tot verlening van vrijstelling ex artikel 19 WRO waardoor de bouw van zesendertig appartementen, twaalf eengezinswoninqen en circa 540 M2 kantoorruimte in de omgeving van hun woningen mogelijk wordt. Het bouwplan is voorzien op de zogenoemde […]locatie, een terrein tegenover de [straat] te [woonplaats]. Oorspronkelijk zijn met betrekking tot twintig woningen verzoeken om planschadevergoeding ingediend. Na bezwaar gaat het nog om dertien woningen, gelegen aan de [straat, 13 huisnummers].

2.2. Ter zitting is gebleken dat ondertussen vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor een ander bouwplan op dezelfde locatie. Van de zijde van de gemeenteraad is verklaard dat dit bouwplan reeds in uitvoering is maar dat terzake ook rechtsmiddelen zijn aangewend. Het eerdere vrijstellingsbesluit, dat in de onderhavige procedure aan de orde is, is niet ingetrokken. Hoewel de feitelijke situatie inmiddels is gewijzigd, doet dit er niet aan af dat het eerdere vrijstellingsbesluit zijn gelding niet heeft verloren. Dat besluit biedt nog steeds een planologische basis voor het desbetreffende bouwplan en kan aldus tevens de grondslag vormen voor planschade en voor vergoeding van die schade. Gelet hierop hebben appellanten nog processueel belang bij hun hoger beroep.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is te oordelen dat de gemeenteraad, in navolging van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), die om advies is gevraagd, zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van schade.

In hoger beroep hebben appellanten in de eerste plaats aangevoerd dat de SAOZ een gekleurde en niet als objectief te beschouwen waardering heeft gegeven van de oude en de nieuwe planologische situatie. Voorts hebben zij gedetailleerd betoogd dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat de wijze waarop de SAOZ de nadelen van de voorheen mogelijke bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de desbetreffende gronden (ten behoeve van een veilingterrein en opslagplaats) heeft gewaardeerd niet in een redelijke verhouding staat tot de wijze waarop de nadelen van de nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden zijn gewaardeerd.

2.3.1. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeenteraad zich bij zijn besluitvorming in dit geval niet heeft mogen baseren op de adviezen van de SAOZ omdat deze met vooringenomenheid of op enigerlei wijze onzorgvuldig tot stand zouden zijn gekomen. Hetgeen appellanten verder hebben betoogd omtrent de gemaakte planologische vergelijking betreft in essentie een herhaling van argumenten die zij reeds eerder in de procedure naar voren hebben gebracht.

De Afdeling kan zich verenigen met de uitvoerige overwegingen van de rechtbank terzake. Het betoog van appellanten kan niet leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak. Evenmin als de rechtbank is de Afdeling gebleken van enig nadeel dat redelijkerwijs niet ten laste van appellanten zou moeten blijven. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2000

18. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,