Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AB0017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200002608/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200002608/1.

Datum uitspraak: 21 december 2000.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 3 april 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Doesburg.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 22 november 1999 hebben burgemeester en wethouders van Doesburg (hierna: burgemeester en wethouders) appellant onder oplegging van een last onder dwangsom van f 500,-- per week, met een maximaal te verbeuren bedrag van f 15.000,--, aangeschreven de zonder vergunning aangebrachte buitenzonwering (screens) te verwijderen.

Bij besluit van 25 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 april 2000, verzonden op 19 april 2000, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhern (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 september 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2000, waar appellant in persoon, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door W.P.P.M. Hijmans, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders bouwvergunning).

Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, juncto artikel 2, aanhef en onder g, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken (Bmb), is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van een zonwering of een rolluik aan een woning of een ander gebouw, mits het voornemen hiertoe schriftelijk bij burgemeester en wethouders is gemeld. Hieruit volgt dat, anders dan appellant meent, het aanbrengen van de screens in beginsel een meldingplichtige activiteit is.

Nu de screens evenwel zijn aangebracht zonder dat het voornemen daartoe schriftelijk bij burgemeester en wethouders is gemeld, is daarvoor een bouwvergunning vereist. Deze is niet verleend, zodat burgemeester en wethouders bevoegd waren tot het opleggen van een last onder dwangsom over te gaan.

2.2. Zoals de president terecht heeft overwogen kan alleen onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie. Gebleken is dat de welstandscommissie op 30 maart 1999 met betrekking tot de screens een negatief welstandsadvies heeft uitgebracht. Er is geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders op basis van dit advies zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de screens niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Legalisatie van de screens ligt derhalve niet in de rede. Voorts is het de Afdeling uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat - anders dan appellant heeft betoogd -burgemeester en wethouders in vergelijkbare gevallen ook tot aanschrijving zijn overgegaan. Van willekeur van de zijde van burgemeester en wethouders is dan ook geen sprake.

2.3. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van burgemeester en wethouders kon worden verlangd af te zien van het treffen van handhavingsmaatregelen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.R. Bakker, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bakker w.g. Bastein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2000.

13.

Verzonden: 21 december 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,