Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901176/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 164
Wet gemeenschappelijke regelingen 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 107 met annotatie van N. Verheij
Gst. 2000-7131, 4 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199901176/1.

Datum uitspraak: 12 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het Dagelijks bestuur van het Bestuur Regio Utrecht te Utrecht,

appellant,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 1998 heeft verweerder afgewezen de aanvraag van het Bestuur Regio Utrecht voor subsidie op grond van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer (hierna: het Subsidiebesluit) voor het kalenderjaar 2001.

Bij besluit van 4 juni 1999 heeft verweerder het hiertegen door het Dagelijks bestuur van het Bestuur Regio Utrecht gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft het Dagelijks bestuur bij brief van 12 juli 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 1999, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 november 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 maart 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door J.P.M. van Erdewijk, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.l. Wong en ir. D.G. de Gruijter, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet - voorzover hier van belang - kan de raad aan het college van burgemeester en wethouders bevoegdheden van de raad overdragen.

Ingevolge artikel 164, eerste lid, van de Gemeentewet neemt het college van burgemeester en wethouders, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

Ingevolge artikel 164, derde lid, van de Gemeentewet - voorzover hier van belang - is het college bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de gemeente of aan het gemeentebestuur hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 164, vierde lid, van de Gemeentewet wordt het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar ingetrokken, indien de raad de beslissing van het college van burgemeester en wethouders tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt.

2.1.2. In artikel 33, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: de Wgr) is - voorzover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van de bevoegdheden van het bestuur van het openbaar lichaam van overeenkomstige toepassing zijn de regels, in de ruimste zin, die bij of krachtens de wet zijn gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de gemeentebesturen over de gemeentelijke bestuursorganen, voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop.

2.1.3. Ingevolge artikel 13 van de gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio Utrecht (hierna: de Regeling) behoren aan het algemeen bestuur alle bevoegdheden die niet bij of krachtens deze regeling en met inachtneming van het bepaalde in artikel 33 van de wet, zijn opgedragen aan het dagelijks bestuur, de voorzitter of een commissie.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling is aan het dagelijks bestuur opgedragen het nemen van alle maatregelen als bedoeld in artikel 164 van de Gemeentewet.

2.2. Artikel 17 van de Regeling vormt een uitzondering op het in artikel 13 van de Regeling verwoorde uitgangspunt, dat alle bevoegdheden toekomen aan het algemeen bestuur en moet derhalve restrictief worden uitgelegd. Gelet op de niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling kan niet met vrucht staande worden gehouden dat is beoogd de bevoegdheid tot het - anders dan spoedshalve - instellen van rechtsmiddelen met toepassing van artikel 33, eerste lid, van de Wgr in verbinding met artikel 156 van de Gemeentewet over te dragen aan het dagelijks bestuur. Dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid tot het spoedshalve instellen van rechtsmiddelen reeds kan ontlenen aan artikel 33, eerste lid, van de Wgr in verbinding met artikel 164 van de Gemeentewet, zodat aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling geen betekenis toekomt, kan het hanteren van een uitleg van deze bepaling waarvoor in de tekst noch in de toelichting steun kan worden gevonden, niet rechtvaardigen.

2.2.1. Gelet op artikel 33, eerste lid, van de Wgr in verbinding met artikel 164 van de Gemeentewet kan het maken van bezwaar door het dagelijks bestuur met betrekking tot een financieel geschil als het onderhavige niet worden beschouwd als het nemen van maatregelen, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling, indien de beslissing tot het maken van bezwaar niet in de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur is bekrachtigd.

2.2.2. In dit geval is van een zodanige bekrachtiging geen sprake. Evenmin is gebleken dat het algemeen bestuur de bevoegdheid tot het maken van bezwaar door middel van een delegatiebesluit aan het dagelijks bestuur had overgedragen. Voorts staat vast dat aan het dagelijks bestuur geen zelfstandige bevoegdheid tot maken van bezwaar toekomt. Hieruit volgt dat verweerder het door het dagelijks bestuur gemaakte bezwaar ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet in het hiervoor overwogene aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorziend het bezwaar van het dagelijks bestuur alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 juni 1999, MBG 99164878;

III. verklaart het door het Dagelijks bestuur van het Bestuur Regio Utrecht gemaakte bezwaar van 29 september 1998 niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 69,80; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 450,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de

enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C.R. Schut, ambtenaar

van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schut

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2000

66-284.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,