Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2000
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
199901602/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regeling farmaceutische hulp 1996 is een samenstel van algemeen verbindende voorschriften, waartegen geen bezwaar c.q. beroep kan worden ingesteld.

Afwijzing verzoek om het geneesmiddel Trusopt op bijlage van de Regeling farmaceutische hulp 1996 te plaatsen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Ziekenfondswet
Ziekenfondswet 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2000, 122
JB 2000/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199901602/1.

Datum uitspraak: 18 augustus. 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Merck Sharp en Dohme BV te Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 22 juni 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 1998 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) afwijzend beslist op het verzoek van appellante om de beslissing van 20 juli 1995, waarbij is geweigerd het geneesmiddel Trusopt te plaatsen op bijlage 1 B van de Regeling farmaceutische hulp 1996, te heroverwegen.

Bij besluit van 1 september 1998 heeft de Minister het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van VWScommissie bezwaarschriften Awb van 24 augustus 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 22 juni 1999, verzonden op 15 juli 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 september 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 december 1999 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 februari 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.R het Lam, advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid van de Ziekenfondswet, zoals dit artikel luidde tot 1 februari 2000, hebben de verzekerden, voor zover hier van belang, aanspraak op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang der verstrekkingen geregeld. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: het Verstrekkingenbesluit), zoals dat gold tot 1 februari 2000, hebben verzekerden ter voorziening in hun geneeskundige verzorging aanspraak op de verstrekkingen, omschreven in de artikelen 3 tot en met 7, 9 tot en met 11 en 111 tot en met 30. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van het Verstrekkingenbesluit omvat farmaceutische hulp de aflevering van de bij ministeriƫle regeling aangewezen geregistreerde geneesmiddelen. Ingevolge artikel 11 k, eerste lid van het Verstrekkingenbesluit kan de registratiehouder bij Onze Minister een aanvraag indienen om een geneesmiddel aan te wijzen ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a. Ingevolge artikel 1 van de Regeling farmaceutische hulp 1996 (hierna: de Regeling) omvat farmaceutische hulp de geregistreerde geneesmiddelen genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.

2.2. Aan de orde is de vraag of de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is (hierna: avv), ten gevolge waarvan tegen de weigering tot wijziging hiervan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open staan.

2.3 De rechtbank heeft overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Regeling een avv is. Omdat in de Regeling een systeem is opgenomen met bijlagen waarin een geneesmiddel wordt aangewezen als geregistreerd door plaatsing op en derhalve wijziging van de bijlage, is bij een positief besluit sprake van een wijziging van een avv, waartegen geen rechtsmiddelen openstaan. De weigering een avv te wijzigen dient voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep hiermee te worden gelijk gesteld.

2.4. Appellante heeft betoogd dat de Regeling geen zelfstandige rechtsnorm inhoudt en dat derhalve een besluit tot aanwijzing van een geregistreerd geneesmiddel - alsmede de weigering hiertoe over te gaan - niet kan worden aangemerkt als een avv.

2.5. Het geneesmiddelenvergoedingsysteem is vervat in het Verstrekkingenbesluit en de Regeling. De aanspraak voor verzekerden op verstrekkingen, als bedoeld in artikel 9, voornoemd, volgt uit artikel 2 van het Verstrekkingenbesluit. Niet in geschil is dat het Verstrekkingenbesluit een avv is. De verstrekkingen waarop aanspraak kan worden gemaakt, zijn vermeld in de - bijlagen behorende bij de- Regeling. Appellante kan worden toegegeven dat de Regeling op zichzelf beschouwd geen zelfstandige rechtsnorm bevat. De Regeling is evenwel zodanig verknoopt met het Verstrekkingenbesluit, dat deze hiervan niet los kan worden gezien, zodat moet worden geoordeeld dat hier sprake is van een samenstel van algemeen verbindende voorschriften. Dit betekent dat tegen een wijziging van de Regeling krachtens artikel 7:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen bezwaar c.q beroep kon worden ingesteld. Het vorenstaande is gelet op artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb eveneens van toepassing op de weigering tot wijziging van de Regeling over te gaan. Tegen de weigering tot herziening van dat besluit kan derhalve evenmin worden opgekomen. De Minister heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 januari 1998 terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2000

(89)-l5. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,