Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199904000/1 en 200000193/
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2001/70
Module Vastgoed en wonen 2000/274
Module Ruimtelijke ordening 2000/555

Uitspraak

Raad

van State

199904000/1 en 200000193/1.

Datum uitspraak: 12 december 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraken van de president van de arrondissementsrechtbank te Almelo en van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 december 1999 in de gedingen tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Den Ham.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders van Den Ham (hierna: burgemeester en wethouders) onder toepassing van bestuursdwang de bouw door appellant van een winkelpand aan de [straat] te [woonplaats] (hierna: het winkelpand) stilgelegd.

Bij besluit van 27 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht (zaak no. 200000193/1).

Bij besluit van 21 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders appellant gelast voor 1 november 1999 het winkelpand in overeenstemming te brengen met een advies van de welstandscommissie Het Oversticht van 20 juli 1999 op straffe van een dwangsom van f 5000,-- per week, met een maximum van f 50.000,-.

Bij besluit van 3 november 1999 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 juli 1999 onder verbetering van gronden gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht (zaakno. 199904000/1).

Bij uitspraken van 17 december 1999, op die dag verzonden, hebben de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) en de president van de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de president) de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft appellant bij respectievelijk brief van 30 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 1999, en bij brief van 12 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 21 februari 2000 en 13 april 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Burgemeester en wethouders hebben hun besluit tot het toepassen van bestuursdwang/stillegging van de bouw gebaseerd op artikel 125 van de Gemeentewet, artikel 100 van de Woningwet en artikel 11. 1 van de Bouwverordening in samenhang met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op deze artikelen zijn burgemeester en wethouders bevoegd onder toepassing van bestuursdwang de bouw stil te leggen indien -voor zover hier van belang - wordt gebouwd zonder dan wel in strijd met een bouwvergunning.

2.2. Bij besluit van 13 april 1999 hebben burgemeester en wethouders een vergunning verleend voor het bouwen van een winkelpand aan de [straat] te [woonplaats]. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is.

2.3. Ten tijde van het primaire besluit van 12 juli 1999 waren de gevels gebouwd de kleurdonkerblauw verglaasd. Burgemeester en wethouders hebben beoogd dit laatste met de bestuursdwangaanschrijving te verhinderen, omdat dit in strijd zou zijn met de bouwvergunning.

Burgemeester en wethouders hebben appellant in de beslissing op bezwaar van 3 november 1999 gelast het pand voor 15 maart 2000 in overeenstemming te brengen met de kleuren die worden genoemd in het bij de bouwvergunning behorende aanvraagformulier van 25 januari 1999. Meer specifiek dienen volgens burgemeester en wethouders de dakpannen te worden vervangen door dakpannen met een roestkleur. Daarnaast dient het gevelmetselwerk van de voor-, achter- en linkerzijgevel te worden gesloopt met uitzondering van de penanten. De rechterzijgevel dient gedeeltelijk te worden gesloopt. Alle gesloopte gevels dienen te worden herbouwd in een roodbruine steen. Het overige gevelmetselwerk van de rechterzijgevel kan worden voorzien van keiverf. De Afdeling verstaat deze lastgeving aldus dat appellant de keus wordt gelaten tussen hetzij afbraak hetzij bouw in overeenstemming met de bouwvergunning.

2.4. De rechtbank en de president hebben geoordeeld dat burgemeester en wethouders bevoegd waren om onder aanzegging van bestuursdwang de bouw van het winkelpand stil te leggen en tot handhaving van de last onder dwangsom te komen. Zij hebben daartoe overwogen dat bij het besluit van 13 april 1999 het (bouw)aanvraagformulier van 25 januari 1999 behoort, waarop staat vermeld dat de gevels van het pand zullen worden uitgevoerd in een steen met de kleur rood-brons en dat de te gebruiken dakpannen een roestkleur hebben. Tevens stellen zij zich op het standpunt dat bij het besluit van 13 april 1999 een bouwtekening van 5 maart 1999 met nummer 97068, blad 1, behoort. Daarop is de kleur van het metselwerk van de gevels en de dakbedekking aangegeven als okergeel respectievelijk donkerblauw verglaasd. Bijgevolg is, aldus de rechtbank en de president, de bouwvergunning niet eenduidig, omdat de daarbij behorende bijlagen met elkaar in strijd zijn. Gelet hierop achten zij doorslaggevend hoe de bouwvergunning moet worden begrepen. Zij hebben in dit verband geoordeeld dat appellant de bouwvergunning niet zodanig had mogen lezen dat de op de bouwtekening van 5 maart 1999 met nummer 97068 door appellant zonder overleg gewijzigde kleurstelling door burgemeester en wethouders was geaccepteerd.

2.5. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank en de president hebben miskend dat hij heeft gebouwd overeenkomstig de bij het besluit van 13 april 1999 afgegeven onherroepelijke bouwvergunning en dat burgemeester en wethouders derhalve niet bevoegd waren om de bouw van het winkelpand stil te leggen en tot handhaving van de last onder dwangsom te komen.

2.5.1. De Afdeling overweegt dienaangaande dat de inhoud van de bouwvergunning wordt bepaald door het besluit van 13 april 1999, de aangehechte stukken waarnaar in het besluit wordt verwezen en de niet-aangehechte stukken waarnaar in het besluit wordt verwezen, echter slechts voor zover deze stukken niet afwijken van wel aangehechte stukken. Het besluit van 13 april 1999 vermeldt, voor zover het de bijbehorende stukken betreft, dat de gevraagde vergunning overeenkomstig de overgelegde tekeningen wordt verleend. Aan dit besluit is de bouwtekening van 5 maart 1999 met nummer 97068, blad 1 gehecht, die is voorzien van een stempel met de woorden: "behoort bij het besluit van 13 april 1999". Het (bouw)aanvraagformulier van 25 januari 1999 is niet aan het besluit van 13 april 1 á99 gehecht.

Niet in geschil is dat appellant overeenkomstig de op de bouwtekening van 5 maart 1999 met nummer 97068 aangegeven kleur van het metselwerk van de gevels en de dakbedekking heeft gebouwd.

2.5.2. Het betoog van appellant dat hij heeft gebouwd overeenkomstig de bij het besluit van 13 april 1999 afgegeven bouwvergunning treft dan ook doel.

2.6. Burgemeester en wethouders waren derhalve niet bevoegd om onder toepassing van bestuursdwang de bouw van het winkelpand stil te leggen en tot oplegging van de last onder dwangsom over te gaan. Ten onrechte hebben de rechtbank en de president geoordeeld dat dit wel het geval was.

2.7. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd. De Afdeling zal voorts doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen door de beroepen alsnog gegrond te verklaren en de beslissingen op bezwaar te vernietigen. In aanmerking genomen dat burgemeester en wethouders niet bevoegd waren om onder toepassing van bestuursdwang de bouw van het winkelpand stil te leggen en tot oplegging van de last onder dwangsom over te gaan, zal de Afdeling voorts zelf in de zaak voorzien door alsnog de primaire besluiten te herroepen.

2.8. De Afdeling acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

2.8.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht dienen de onderhavige zaken echter voor de berekening van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden beschouwd als één zaak. De Afdeling ziet dan ook aanleiding om ten aanzien van appellant in deze samenhangende zaken slechts eenmaal het bedrag toe te kennen dat voor vergoeding in aanmerking komt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de president van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 december 1999, 991991 GEMW7 Hl V, en van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 december 1999, 99/997 GEMWT Hl A;

III. verklaart de beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van burgemeester en wethouders van Den Ham van 27 oktober 1999 en van 3 november 1999;

V. herroept de besluiten van burgemeester en wethouders van Den Ham van 12 juli 1999 en van 21 juli 1999;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Den Ham in de door appellant in verband met de behandeling van de beroepen en hoger beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2907,50, waarvan een gedeelte groot f 2840,-- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, het bedrag dient door de gemeente Den Ham te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Den Ham aan appellant het door hem voor de behandeling van de beroepen en hoger beroepen betaalde griffierecht (totaal f 1050,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

Van Bilderbeek w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2000

32-224.

Verzonden: 12 december 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,