Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2000
Datum publicatie
07-04-2003
Zaaknummer
199902897101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Beroep tegen uitblijven beslissing op bezwaar gegrond nu in strijd met art. 8:72, vierde en vijfde lid Awb geen gevolg is gegeven aan een rechterlijke uitspraak.

Besluit verweerder o.g.v. de Luchtvaartwet tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht t.b.v. de aanleg van een oost-westbaan. De beslissing op de daartegen ingediende bezwaren is door de Afdeling bij uitspraak van 8 januari 1998 vernietigd; daarbij is bepaald dat binnen één jaar na openbaarmaking van de uitspraak opnieuw op de bezwaren moet worden beslist.

Verweerder heeft niet tijdig een nieuw besluit genomen en heeft daarmee gehandeld in strijd met de door de Afdeling gestelde termijn. De wet noemt geen gronden waarom een overschrijding van een dergelijke termijn verschoonbaar kan zijn. Niettemin zou in zeer bijzondere omstandigheden enige overschrijding aanvaardbaar kunnen zijn. Daarvan is in casu geen sprake.

Beroep gegrond en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren vernietigd, omdat in strijd met art. 8:72, vierde en vijfde lid Awb geen gevolg is gegeven aan een rechterlijke uitspraak.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

mrs. R. Cleton, R.H. Lauwaars, A. Kosto

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/30
AB 2001, 69
M en R 2001, 49K
Gst. 2001-7140, 5

Uitspraak

Raad

van State

199902897101.

Datum uitspraak: 14 december 2000.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

A en A-B, persoonlijk en in hoedanigheid van vennoot van de v.o.f. “X" en van maat in de maatschap "A -B ", wonend te C,

appellanten,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 1994, nr. DGRLD/VI/L 94.007352 (hierna: het aanwijzingsbesluit) heeft verweerder op grond van artikel 27 juncto 24 van de Luchtvaartwet de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht gewijzigd ten behoeve van onder meer de aanleg van een oost-westbaan.

Naar aanleiding van de onder meer door appellanten ingediende bezwaarschriften heeft verweerder beslissingen op bezwaar genomen en het aanwijzingsbesluit gewijzigd bij besluit van 9 augustus 1995.

Bij uitspraak van 8 januari 1998, no. El 0.95.0026 e.v. (AB 1998, 194), heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het beroep van onder meer appellanten gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder binnen één jaar na openbaarmaking van de uitspraak opnieuw op de bezwaren beslist.

Bij brief van 7 oktober 1999, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 1999, hebben appellanten beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.

Bij brief van 21 december 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2000, waar appellanten, gemachtigd door mr. M. Kemme en prof. mr. A.Q.C. Tak, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.B. van Rijn, mr. F.A. Mulder, mr. E. Bosch en mr. E. Gielesen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

In artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bezwaar of beroep, indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet aan een termijn is gebonden. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bezwaar- of beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het onredelijk laat is ingediend.

2.2. In genoemde uitspraak van 8 januari 1998 heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verweerder gelast binnen één jaar na openbaarmaking van die uitspraak opnieuw op de bezwaren tegen het aanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994 te beslissen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 8 januari 1999 een nieuwe beslissing op bezwaar had moeten nemen. Vast staat dat dit niet is geschied. Gesteld noch gebleken is dat het beroep van appellanten tegen het uitblijven van een besluit prematuur of onredelijk laat is ingediend, zodat zij in hun beroep kunnen worden ontvangen.

2.3. Verweerder heeft het volgende aangevoerd. Medio november 1998 werd bekend dat de provincie Limburg onder bepaalde voorwaarden niet langer meer waarde hechtte aan de aanleg van de oost-westbaan.

Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en gedeputeerde staten van Limburg. Een en ander is in december 1998 uitgemond in de principebeslissing van het kabinet dat van aanleg van de oost-westbaan moet worden afgezien. Deze principebeslissing is neergelegd in een brief van verweerder van 7 januari 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. In deze brief is voorts gesteld dat de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een interimbesluit zullen nemen waarmee de lopende aanwijzingsprocedure inzake het luchtvaartterrein wordt stopgezet en waarin regels worden gesteld voor de tijdelijke situatie tot aan de uiteindelijke zonering van de noord-zuidbaan. Dit interimbesluit zal de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht volgen. Het streven is het ontwerp-interimbesluit in het eerste kwartaal van 1999 ter inzage te leggen. Eveneens bij brief van 7 januari 1999 zijn degenen ten aanzien van wie opnieuw op hun bezwaren tegen het aanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994 moest worden beslist van een en ander op de hoogte gesteld. In deze brief is gesteld dat deze bezwaren in het licht van de beslissing om af te zien van de aanleg van de oost-westbaan worden heroverwogen en dat verweerder er naar streeft deze heroverwogen beslissing op bezwaar zo spoedig mogelijk af te ronden. Het is echter niet mogelijk gebleken de bezwaren nog voor 8 januari 1999 te behandelen.

2.3.1. Verweerder heeft over deze handelwijze gesteld dat het vanwege de principebeslissing niet zinvol was de heroverweging van het besluit van 25 oktober 1994 onveranderd voort te zetten. Een wijziging van dat besluit in de zin van het afzien van aanleg van de oost-westbaan zou er immers toe leiden dat aan een zeer groot deel van de bezwaren tegen dat besluit tegemoet wordt gekomen. De ministers hebben er daarom voor gekozen eerst over te gaan tot wijziging van het aanwijzingsbesluit om vervolgens de lopende heroverwegingsprocedure met inachtneming van het gewijzigde besluit af te kunnen wikkelen. Zij hebben daarbij terdege beseft dat het niet mogelijk zou zijn om de voorgenomen wijziging van het aanwijzingsbesluit voor 8 januari 1999 af te ronden. Er was immers sprake van een fundamentele wijziging die een zorgvuldige afweging en toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste. Daarvoor was meer tijd nodig dan op grond van de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 1998 nog ter beschikking stond. De ministers waren echter van oordeel dat gezien de plotselinge ontwikkelingen zo kort voor het verstrijken van het jaar dat voor de heroverweging ter beschikking stond, overschrijding van de door de Afdeling gestelde termijn aanvaardbaar was. Nog binnen deze termijn zijn de Tweede Kamer, de Afdeling en de bezwaarmakers tegen het aanwijzingsbesluit van een en ander verwittigd en zijn ook de contouren van de interimbesluitvorming reeds bekend gemaakt. Aldus is volstrekte openheid van zaken gegeven. De bezwaarmakers tegen het aanwijzingsbesluit zijn door deze aanpak niet in hun belangen geschaad, aldus verweerder.

2.4. Op 28 april 2000 heeft verweerder het Interim-aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht genomen. In de toelichting bij dit besluit is vermeld dat dit van 11 januari tot 8 februari 2000 ter inzage heeft gelegen.

Verder is daarin gesteld dat de bezwaren tegen het aanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994 na vaststelling van dit interim-aanwijzingsbesluit in het licht van dit besluit zullen worden afgewikkeld.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat tegen het interim-aanwijzingsbesluit bezwaren zijn ingediend. De bezwaarmakers hiertegen zijn op 3 juli 2000 gehoord. In oktober 2000 zal een hoorzitting plaatsvinden voor de bezwaarmakers tegen het aanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994. Het streven is om eind 2000 een besluit op bezwaar te nemen, waarin zowel op de bezwaren tegen het interim-aanwijzingsbesluit als tegen het aanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994 wordt beslist.

2.5. De Afdeling stelt voorop dat verweerder door niet uiterlijk op 8 januari 1999 een nieuwe beslissing op de bezwaren tegen het aanwijzingsbesluit te nemen, heeft gehandeld in strijd met de door de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, gestelde termijn. De wet noemt geen gronden waarom een overschrijding van een dergelijke termijn verschoonbaar kan zijn. Niettemin zou in zeer bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de Afdeling enige overschrijding aanvaardbaar kunnen zijn. De omstandigheid dat kort voor het verstrijken van de jaartermijn de kabinetsbeslissing werd genomen om af te zien van aanleg van de oost-westbaan, waarmee tegemoet werd gekomen aan de bezwaren van appellanten tegen het aanwijzingsbesluit zelf, zou in dit geval enige overschrijding van deze termijn hebben kunnen billijken. Verweerder had zich dan wel dienen in te spannen de nieuwe beslissing op de bezwaren op zo kort mogelijke termijn te nemen. Daarvan is echter niet gebleken. Sinds het verstrijken van de jaartermijn zijn ruim 23 maanden verstreken, waarin geen nieuwe beslissing op deze bezwaren is genomen. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd biedt hiervoor geen rechtvaardiging. De Afdeling acht met name niet aanvaardbaar dat verweerder het nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren tegen het aanwijzingsbesluit, in zoverre deze betrekking hadden op de oost-westbaan, heeft uitgesteld met het argument dat eerst een interim-aanwijzingsbesluit inzake het luchtvaartterrein zal worden genomen. Dit interim-aanwijzingsbesluit ziet immers op het luchtvaartterrein zonder oost-westbaan, hetgeen ten tijde van genoemde brieven van 7 januari 1999 reeds bekend was. De Afdeling ziet daarom niet in waarom het opnieuw beslissen op de bezwaren tegen de oost-westbaan afhankelijk is van het nemen van het interim-aanwijzingsbesluit. Los daarvan merkt de Afdeling op dat de terinzagelegging van het ontwerp van het interim-aanwijzingsbesluit driekwart jaar na de aanvankelijk aangekondige streefdatum heeft plaatsgevonden.

2.6. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren tegen het aanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994 moet worden vernietigd, omdat in strijd met artikel 8:72, vierde lid en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geen gevolg is gegeven aan een rechterlijke uitspraak.

2.7. De Afdeling ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder vóór 1 februari 2001 een inhoudelijke beslissing neemt op het bezwaarschrift van appellanten tegen het aanwijzingsbesluit, op overtreding waarvan verweerder een dwangsom verbeurt ten gunste van appellanten van f 1.250,- per dag.

2.8. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 25 oktober 1994, nr. DGRLDIVI/L 94.007352, inzake de wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht;

III. bepaalt dat verweerder vóór 1 februari 2001 een beslissing neemt op de bewaren van appellanten tegen het onder II genoemde besluit;

IV. bepaalt dat indien verweerder niet of niet volledig voldoet aan het bepaalde onder III, de Staat der Nederlanden (het ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellanten een dwangsom verbeurt van f 1.250,- per dag;

V. veroordeelt verweerder in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van f 1.535,-, waarvan f 1.420,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de Staat (het ministerie van Verkeer en Waterstaat) te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de Staat (het ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellanten het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 450,-) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. A. Kosto, Leden, in tegenwoordigheid van dr. E. Dijt, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Dijt

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2000.

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

145.

Verzonden: