Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901354/1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199901354/1.

Datum uitspraak: 9 juni 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 12 juli 1999 in tiet geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 1998 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest (hierna: het dagelijks bestuur) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om herziening van de pensioenbeschikking van 1 mei 1996.

Bij besluit van 10 juni 1998 heeft het dagelijks bestuur het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Adviescommissie behandeling bezwaren waterschap Noorderzijlvest c.a., waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juli 1999, verzonden op 13 juli 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 1999 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. F.J. Kragten, gemachtigde, en door mr. H. Bauman, werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 20 december 1994 hebben gedeputeerde staten van Groningen vastgesteld de Uitkerings- en pensioenverordening leden van het dagelijks bestuur van de waterschappen in de provincie Groningen (hierna: de Verordening).

Ingevolge artikel 18 (voorzien van het kopje "Het recht op eigen pensioen"), eerste lid, heeft hij die ophoudt lid van het dagelijks bestuur te zijn, tenzij hij zonder onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen ten laste van het waterschap indien hij op het tijdstip waarop hij ophoudt lid van het dagelijks bestuur te zijn, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

Ingevolge het tweede lid heeft hij die ophoudt lid van het dagelijks bestuur te zijn vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op pensioen bij het bereiken van die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer lid van het dagelijks bestuur, is.

Ingevolge artikel 19 (voorzien van het kopje "Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1986") wordt, wanneer jaren doorgebracht als lid van het dagelijks bestuur zowel gelegen zijn vóór 1 januari 1986 als na 31 december 1985, over de dienstjaren gelegen vóór. 1 januari 1986 pensioen berekend volgens artikel 20 en over de jaren gelegen na 31 december 1985 pensioen berekend volgens artikel 2 1. De som van de aldus berekende pensioenen wordt als een eenheid toegekend. Ingevolge artikel 21 (voorzien van het kopje "Berekening van het eigen pensioen over de tijd na 31 december 1985"), eerste lid, is dit artikel uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over dienstjaren gelegen na 31 december 1985.

Ingevolge het achtste lid, voor zover hier van belang, bedraagt het, pensioen voor ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als lid van het dagelijks bestuur 3,5% van de pensioengrondslag, en voor ieder overig jaar als lid van het dagelijks bestuur 1,75% van de pensioengrondslag.

Ingevolge artikel 71 (voorzien van het kopje "Herziening, wijziging en herstel"), eerste lid, herziet het dagelijks bestuur een door hem ter uitvoering van deze verordening genomen beslissing, indien: a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt; b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd. Ingevolge het tweede lid wijzigt het dagelijks bestuur de beslissing, rekening houdende met de gewijzigde feiten, indien na een beslissing van het dagelijks bestuur de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden.

Ingevolge het derde lid, herstelt het dagelijks bestuur een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing op grond van artikel 58 - herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt. Ingevolge het vierde lid, kan het dagelijks bestuur, indien 5 jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, die leden buiten toepassing laten. Ingevolge artikel 73 (met het kopje "Garantiebepating"), eerste lid, ontlenen zij die aan het Uitkerings- en pensioenreglement voorzitters waterschappen in de provincie Groningen (PB 48 van 1970, sedertdien gewijzigd) op 311 december 1991 recht op een uitkering of pensioen ontleenden, dan wel een uitkering of pensioen genoten, met ingang van 1 januari 1992 dienovereenkomstige rechten aan deze verordening.

Ingevolge het tweede lid worden de vanaf 1 januari 1986 toegekende pensioenen berekend op basis van de in het eerste lid bedoelde verordening zoals die tot die datum luidde, herberekend op grond van deze verordening, met dien verstande dat de pensioenbedragen, die in verband met deze 1 herberekening teveel blijken te zijn betaald, niet worden teruggevorderd.

Ingevolge artikel 79 (met het kopje "Inwerkingtreding"), eerste lid, treedt deze verordening in werking met ingang van de dag waarop zij is afgekondigd in tiet Provinciaal Blad en werkt zij terug tot 1 januari 1992. Ingevolge het tweede lid vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening voor zover van toepassing het Uitkerings- en pensioenreglement voorzitters waterschappen in de provincie Groningen (PB 48 van 1970, sedertdien gewijzigd). Ingevolge artikel 44 van de Waterschapswet, zoals dat artikel, voor zover hier van belang, luidde per 1 januari 1992, genieten de leden van het dagelijks bestuur ten laste van het waterschap pensioen volgens bij provinciale verordening na overleg met de desbetreffende waterschapsbesturen te stellen regels.

2.2. Bij het besluit van 1 mei 1996 heeft het dagelijks bestuur aan appellant krachtens de Verordening een pensioen toegekend, waarbij is aangegeven dat de voor het pensioen meetellende diensttijd de periode van 1 januari 1992 tot en met 14 maart 1993 betreft. In geschil is hier de afwijzing van het op de grondslag van artikel 71 van de Verordening gedane herzieningsverzoek van appellant, waarin hij zich, voor zover hier van belang, op het standpunt heeft gesteld dat het dagelijks bestuur ten onrechte de jaren dat hij gecommitteerde (gewoon lid) van het dagelijks bestuur is geweest tussen 1985 en 1992 niet bij de pensioenberekening heeft betrokken. Bij het primaire besluit heeft het dagelijks bestuur de afwijzing inhoudelijk gemotiveerd, terwijl bij de beslissing op bezwaar toepassing is gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. De rechtbank heeft in dat laatste terecht grond gevonden om de beslissing op bezwaar te vernietigen. Daartegen is ook geen hoger beroep ingesteld. Appellant komt op tegen het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen. Zijn betoog strekt ertoe dat de rechtbank heeft miskend dat het pensioenbesluit berust op een verkeerde toepassing van de Verordening. Onder verwijzing naar het door het dagelijks bestuur niet overgenomen advies van de adviescommissie, heeft hij gesteld dat uit de tekst van de Verordening - en met name artikel 21, achtste lid - en de toelichting daarop duidelijk blijkt dat dienstjaren van gecommitteerden van vóór 1992 ook meetellen bij de berekening van het pensioen. Het dagelijks bestuur stelt zich daarentegen op het standpunt dat aan de Verordening geen pensioenrechten kunnen worden ontleend die vóór 1 januari 1992 nog niet bestonden.

2.4. Bij de inwerkingtreding van de Verordening verviel het Uitkerings- en pensioenreglement voorzitters waterschappen in de provincie Groningen. Daarin was aan de voorzitters van de dagelijkse besturen een pensioen toegekend. De gecommitteerden hadden, behoudens bij één waterschap, geen recht op pensioen. Omdat artikel 44 van de Waterschapswet - in de considerans van de Verordening wordt naar dit artikel verwezen - per 1 januari 1992 de verplichting oplegde bij provinciale verordening te voorzien in een pensioen voor alle leden van het dagelijks bestuur is in artikel 79 voorzien in de terugwerkende kracht van de Verordening tot die datum.

In artikel 18 van de Verordening is het recht op eigen pensioen aan alle leden van het dagelijks bestuur toegekend. Door de terugwerkende kracht geldt dat recht per 1 januari 1992.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat aan de in de artikelen 19, 20 en 21 van de Verordening neergelegde pensioenberekeningswijze, de - door appellant bepleite - betekenis toekomt dat daarin met terugwerkende kracht pensioenrechten worden gevestigd die vóór die datum niet bestonden. De in die artikelen voorziene pensioenberekeningswijze over de tijd vóór 1 januari 1992, heeft alleen betekenis voor diegenen die toen reeds een aanspraak hadden op pensioen. Hun pensioenrecht moet ingevolge artikel 73 worden herberekend, in verband waarmee de garantiebepaling is opgenomen, die voorkomt dat de herberekening zou leiden tot terugvordering van reeds genoten pensioen. De artikelen 19, 20 en 21 geven een berekeningswijze om over de jaren dat recht op pensioen is toegekend de hoogte daarvan vast te stellen; zij vestigen, gelezen in samenhang met de artikelen 18, 73, eerste lid, en 79, eerste lid, geen zelfstandig recht op pensioen. Voor dit oordeel bestaat temeer grond, omdat in de Verordening een inkoopregeling ontbreekt en 1 voorts - nu de tekst van de Verordening niet tot een andere intrepretatie dwingt - niet valt in te zien dat de provinciale wetgever heeft beoogd onverplicht pensioenaanspraken te vestigen waarvoor geen pensioen-opbouw heeft plaatsgevonden. Dat in de genoemde artikelen, in overeenstemming met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, geen onderscheid wordt gemaakt tussen de voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur vloeit - zoals onbestreden is aangevoerd door het dagelijks bestuur - voort uit het feit dat deze artikelen afkomstig zijn uit de door het lnterprovinciaal Overleg op 9 september 1993 vastgestelde model-Uitkerings- en pensioenverordening, waarin wordt uitgegaan van de buiten de provincie Groningen veel voorkomende situatie dat voor alle leden van het dagelijks bestuur van waterschappen reeds vóór 1992 bij provinciale verordening in pensioenaanspraken was voorzien. Dat in de Verordening deze artikelen niet zijn toegesneden op de specifiek Groningse situatie biedt geen grond om in afwijking van het vorenoverwogene te oordelen dat de betrokken artikelen, anders dan appellant aanvankelijk ook zelf heeft verondersteld, wèl zelfstandig pensioenrechten vestigen.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven. Het hoger beroep is dan ook ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2000

27.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,