Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200000318/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Drs-titel. Maatstaf IBG dat de in het buitenland gevolgde opleiding moet zijn erkend door de desbetreffende nationale overheid, niet onredelijk.

Aan betrokkene heeft het Britse International Management Centre (IMC) de titel "Master of Business Administration (MBA)" verleend na het succesvol afronden van een leergang aan de Business School Nederland te Heukelum (BSN). Op grond hiervan heeft betrokkene de IBG verzocht om de titel doctorandus te mogen voeren, waarop afwijzend is beslist. De IBG heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de IBG, door bij de uitvoering van art. 7:23.3 WHW als eerste eis te stellen dat de in het buitenland gevolgde opleiding moet zijn erkend door de desbetreffende nationale overheid, een maatstaf aanlegt die niet in overeenstemming is met de wet.

Dit betoog treft doel.

De IBG komt een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of de in het buitenland gevolgde opleiding ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. De wijze waarop door de IBG invulling is gegeven aan de beoordelingsvrijheid, waarbij als uitgangspunt geldt dat slechts van een gelijkwaardige opleiding sprake kan zijn, indien de buitenlandse onderwijsinstelling onder wiens verantwoordelijkheid de opleiding is verzorgd op het hoogste niveau in het desbetreffende buitenland is erkend, is niet kennelijk onredelijk. Het IBG heeft wat betreft het Verenigd Koninkrijk deze vaste gedragslijn verder uitgewerkt in die zin dat slechts sprake is van een gelijkwaardige opleiding indien de onderwijsinstelling waaraan of onder wiens verantwoordelijkheid de opleiding waaraan de Master-graad is verbonden, is gevolgd, is opgericht door een Royal Charter dan wel een Act of Parliament.

Deze nadere uitwerking is niet kennelijk onredelijk. De stelling van betrokkene dat het IMC is erkend door de Britisch Accreditation Council, de Distance Education and Training Council en is gevalideerd door de Dutch Validation Council maakt dit niet anders.

Niet kan worden staande gehouden dat de IBG zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke - privaatrechtelijke - erkenning niet op één lijn kan worden gesteld met erkenning van overheidswege.

Niet in geschil is dat het IMC niet is opgericht door een Royal Charter of een Act of Parliament. De afwijzing van het verzoek van betrokkene is dan ook met recht gehandhaafd

Gegrond hoger beroep.

De Informatie Beheer Groep (IBG), appellant

Mr. J.H.B. van der Meer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200000318/1.

Datum uitspraak: 14 december 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Informatie Beheer Groep,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 december 1999 in het geding tussen:

A, wonend te B

en

appellant;

1 . Procesverloop

Bij besluit van 4 november 1998 heeft de Informatie Beheer Groep (hierna: de IBG) het verzoek van A (hierna: A)-van 29 mei 1998 om de titel doctorandus (afgekort tot drs.) te mogen voeren, afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 1999 heeft de IBG het daartegen door A gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 december 1999, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de IBG opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de IBG bij brief van 18 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 9 april 2000 heeft de IBG naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen en het door A gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft A bij brief van 11 mei 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 10 juli 2000 heeft de griffier van de rechtbank dit beroep doorgezonden aan de Afdeling.

Bij brief van 18 april 2000 heeft A een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2000, waar de IBG, vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee, gemachtigde, en A, vertegenwoordigd door mr. A.B.J. van der Ham en M.A.J.W. van der Ham, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het Britse International Management Centre (hierna: het IMC) heeft op 7 september 1999 aan A de titel "Master of Business Administration (MBA)" verleend na het succesvol afronden van een leergang aan de Business School Nederland te Heukelum (hierna: de BSN). Op grond hiervan heeft A de IBG verzocht om hem met toepassing van artikel 7:23, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek toestemming te verlenen voor het voeren van de titel doctorandus (afgekort tot drs.).

2.2. De IBG heeft betoogd, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de IBG, door bij de uitvoering van artikel 7:23, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) als eerste eis te stellen dat de in het buitenland gevolgde opleiding moet zijn erkend door de desbetreffende nationale overheid, een maatstaf aanlegt die niet in overeenstemming is met de wet.

2.2.1. Dit betoog treft doet. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (zie onder meer de aangehechte uitspraak van 5 augustus 1999 inzake H01.98.1883) komt de IBG een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of de in het buitenland gevolgde opleiding ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. Uit deze uitspraak volgt tevens dat de wijze waarop door de IBG invulling is gegeven aan de beoordelingsvrijheid, waarbij als uitgangspunt geldt dat slechts van een gelijkwaardige opleiding sprake kan zijn, indien de buitenlandse onderwijsinstelling onder wiens verantwoordelijkheid de opleiding is verzorgd op het hoogste niveau in het desbetreffende buitenland is erkend, niet kennelijk onredelijk is. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.

Uit de stukken blijkt, dat de IBG voor wat betreft het Verenigd Koninkrijk deze vaste gedragslijn verder heeft uitgewerkt in die zin dat slechts sprake is van een gelijkwaardige opleiding indien de onderwijsinstelling waaraan of onder wiens verantwoordelijkheid de opleiding waaraan de Master-graad is verbonden, is gevolgd, is opgericht door een Royal Charter dan wel een Act of Parliament. Deze nadere uitwerking is niet kennelijk onredelijk. De stelling van A dat het ]MC is erkend door de Britisch Accreditation Council (BAC), de Distance Education and Training Council (DETC) en is gevalideerd door de Dutch Validation Council (DVC) maakt dit niet anders. Niet kan worden staande gehouden dat de IBG zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke - privaatrechtelijke - erkenning niet op één lijn kan worden gesteld met erkenning van overheidswege.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het IMC niet is opgericht door een Royal Charter of een Act of Parliament. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek van A dan ook met recht gehandhaafd.

2.4. Het hoger beroep is gegrond, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van A alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Het besluit van de IBG van 9 april 2000 moet worden aangemerkt als een besluit, als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het hoger beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. Het door A bij de rechtbank ingediende en door de griffier doorgezonden beroepschrift wordt door de Afdeling aangemerkt als een nadere memorie in het door de wet gegenereerde beroep tegen het besluit van 9 april 2000.

2.6. Gelet op het hiervoor overwogene kon de IBG, naar thans blijkt, niet ten tweede male op het door A gemaakte bezwaar beslissen. Dit betekent dat de beroepen tegen het besluit van 9 april 2000 gegrond zijn en dat dit besluit moet worden vernietigd.

2.7. De IBG dient op na te melden wijze in de proceskosten van A te worden veroordeeld.

2.8. De Afdeling gaat er vanuit, dat het door A voor de behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 9 april 2000 bij de rechtbank betaalde griffierecht, door de griffier van de rechtbank zal worden teruggestort.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 december 1999, 991582 BESLU Hl A;

III. verklaart het door A bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart de beroepen tegen het besluit van de Informatie Beheer Groep van 9 april 2000, HOEO 1 87.00/BBJ/ALG 1, gegrond;

V. vernietigt dit besluit;

VI. veroordeelt de Informatie Beheer Groep in de door A in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 259,80; dit bedrag dient door de Informatie Beheer Groep te worden betaald aan A;

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige

kamer, in tegenwoordigheid van mr. 0. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Van Loon

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2000

284.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,