Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9363

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200002232/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kap op woning deelt in karakter van het onderliggende bouwwerk en kan dan ook niet als een zelfstandige berging worden aangemerkt.

Weigering bouwvergunning voor veranderen en vergroten woongebouw. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van een kap met ramen op een woning met een oppervlakte van ongeveer 70 m2 en een plat dak op een hoogte van 2,8 m. Appellant heeft onder meer betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de - reeds geplaatste - kap zal dienen als zelfstandige berging bij de twaalf woonunits in het woongebouw/pension op het andere deel van het perceel. Volgens hem is dan ook ten onrechte geoordeeld dat sprake is van het veranderen en vergroten van een woning.

Nu de planvoorschriften de bouw van een berging ter plaatse toelaten, is de bouwvergunning ten onrechte geweigerd, aldus appellant.

Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat -daargelaten de vraag of de kap als bergplaats zal dienen - deze niet los kan worden gezien van het onderliggende bouwwerk en daar onverbrekelijk deel van uitmaakt. De kap deelt daarom in het karakter van het onderliggende bouwwerk, te weten woonverblijf, en kan dan ook niet als een zelfstandige berging worden aangemerkt.

Hieraan doet niet af dat de kapverdieping alleen via een buitentrap te bereiken is.

De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat art. 13 planvoorschriften een woning niet toelaat. Het veranderen en vergroten van een bestaande woning is op grond van deze bepaling evenmin toegestaan. Het in art. 26 neergelegde overgangsrecht biedt geen soelaas, omdat met het plaatsen van de kap op de woning de bestaande afwijking van de planvoorschriften wordt vergroot.

Plaatsing van de kap is in strijd met de planvoorschriften.

Burgemeester en wethouders van Laren

Mr. J.H.B. van der Meer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200002232/1.

Datum uitspraak: 1 december 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 14 april 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Laren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 1998 hebben burgemeester en wethouders van Laren (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het veranderen en vergroten van een woongebouw op het perceel, plaatselijk bekend […] 47 te B, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nr.[…].

Bij besluit van 17 november 1998 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 april 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. W.L.C.A. Rietveld en C.C.W. van Rooijen, beide ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan “De Weesboom" rust op een deel van het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Hier bevindt zich een woongebouw/pension met daarin twaalf woonunits. Op een ander deel van het perceel rust de bestemming "Erf". Op dit deel staat - onder meer - een woning met een oppervlakte van ongeveer 70 M2 en een plat dak op een hoogte van 2,8 m. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van een kap met ramen op de woning.

2.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Erf" bestemd voor erf bij gebouwen op hetzelfde perceel of op het perceel waartoe zij blijkens hun situering behoren.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op, onder of boven de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. gedeelten van eengezinshuizen behorende tot en aangebouwd aan de eengezinshuizen op de aangrenzende bebouwingsstrook;

b. autoboxen, bergplaatsen, hobbykasjes, volières, sauna's, alsmede praktijkruimten bij de eengezinshuizen op de aangrenzende bebouwingsstrook;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die verband houden met de bestemming van in de aangrenzende bebouwingsstrook gelegen gronden, met uitzondering van zwembassins en de daarbij en bij tennisbanen behorende afscheidingen.

Ingevolge artikel 26 van de planvoorschriften mogen bestaande bouwwerken die hetzij door hun bestaan als zodanig hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan de bestemmingen van het plan of aan één of meer bepalingen dezer voorschriften, gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd, met dien verstande dat:

a. vernieuwing of verandering van bouwwerken ten behoeve van een voorgenomen ander gebruik slechts is toegestaan indien ook dat andere gebruik overeenstemt of althans minder in strijd is met de bij dit plan aan de grond gegeven bestemming;

b. reeds bestaande afwijkingen van het plan, ook naar hun aard, niet mogen worden vergroot.

2.3. Appellant heeft onder meer betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de - reeds geplaatste - kap zal dienen als zelfstandige berging bij de twaalf woonunits in het woongebouw/pension op het andere deel van het perceel. Volgens hem is dan ook ten onrechte geoordeeld dat sprake is van het veranderen en vergroten van een woning. Nu de planvoorschriften de bouw van een berging ter plaatse toelaten, is de bouwvergunning ten onrechte geweigerd, aldus appellant.

2.4. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat - daargelaten de vraag of de kap als bergplaats zal dienen - deze niet los kan worden gezien van het onderliggende bouwwerk en daar onverbrekelijk deel van uitmaakt. De kap deelt daarom in het karakter van het onderliggende berging worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat de kapverdieping alleen via een buitentrap te bereiken is. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat artikel 13 van de planvoorschriften een woning niet toelaat.

Het veranderen en vergroten van een bestaande woning is op grond van deze bepaling evenmin toegestaan. Daarbij kan in het midden worden gelaten of indertijd voor de bouw van de bestaande woning vergunning is verleend of dat deze illegaal is neergezet. Tot slot heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het in artikel 26, voormeld, neergelegde overgangsrecht geen soelaas biedt, omdat met het plaatsen van de kap op de woning de bestaande afwijking van de planvoorschriften wordt vergroot. Artikel 25 van de planvoorschriften, dat ziet op het gebruik, is hier niet van belang. De plaatsing van de kap is derhalve in strijd met de planvoorschriften.

2.5. Gelet op artikel 46, derde lid van de Woningwet, ontstaat een bouwvergunning van rechtswege slechts indien het bouwwerk in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan appellant heeft betoogd, in dit geval geen sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning.

2.6. Het beroep van appellant op de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele treft geen doel.

2.7. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd kan aan het vorenstaande niet afdoen en kan derhalve onbesproken blijven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Boer

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2000

201. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,