Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200001222/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het aanbrengen van een afschermende groensingel is in beginsel niet in strijd met de agrarische bestemming, tenzij er aanknopingspunten zijn voor het tegendeel.

Weigering bestuursdwang ten aanzien van op perceel geplaatste elzenbomen. Zowel op het noordelijk deel van de betrokken gronden als op het zuidelijk deel rust ingevolge de ter plaatse geldende bestemmingsplannen een agrarische bestemming. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is van oordeel dat het aanbrengen van een afschermende groensingel in beginsel niet in strijd is met de agrarische bestemming, tenzij er aanknopingspunten zijn voor het tegendeel. Die aanknopingspunten zijn er in dit geval niet. Integendeel kan - voor zover het betreft het bestemmingsplan "Buitengebied, na 1e herziening" - uit het feit dat zelfs op gronden met de subbestemming "agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde Aln" het planten van houtgewassen niet algeheel verboden is, maar slechts aanlegvergunningplichtig, worden afgeleid dat de planwetgever het planten van houtgewassen op zichzelf niet, althans niet zonder meer, in strijd met de bestemming "Agrarische doeleinden" heeft geacht.

Het vereiste van een aanlegvergunning ex art. 14.b WRO kan worden gesteld ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming. Nu de planwetgever het beplanten met houtgewassen van gronden met de subbestemming "Aln", die zijn bestemd voor behoud en zonodig herstel van de ter plaatse voorkomende landschappelijke en natuurlijke waarden, niet onder alle omstandigheden in strijd met de bestemming heeft geacht, geldt dit zeker voor andere agrarische bestemmingen.

Het bestemmingsplan "Dorpskern Goudriaan" biedt geen aanknopingspunten om, voor zover het betreft de gronden waarop dat plan betrekking heeft, tot een andere uitleg te komen. Voor het oordeel dat niet van nature op het perceel thuishorende beplanting in strijd met de op dat perceel rustende agrarische bestemming moet worden geacht, bestaat mitsdien geen grond. Dat de bomen zijn aangebracht om de naast de grens van het perceel gelegen fabriekshal aan het zicht te onttrekken, maakt dat niet anders.

B&W waren derhalve niet bevoegd bestuursdwang aan te zeggen. De rechtbank heeft dit miskend.

Burgemeester en wethouders van Graafstroom, appellanten sub 1.

Mr. P.J.J. van Buuren

Wet op de Ruimtelijke Ordening 14.b

Bestemmingsplan "Dorpskern Goudriaan": gemeente Graafstroom 18, 30

Bestemmingsplan "Buitengebied, na 1e herziening" gemeente Graafstroom 14, 34

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2001/45 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

Raad van State

200001222/1.

Datum uitspraak: 5 december 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Graafstroom

2. A, wonend te B

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 28 januari 2000 in het geding tussen:

C, wonend te B

en

appellanten sub 1.

1 Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 1998 hebben appellanten sub 1 afwijzend beslist op het verzoek van C te B om over te gaan tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van de op het perceel […] te B geplaatste elzenbomen.

Bij besluit van 1 oktober 1998 hebben appellanten sub 1 het daartegen door C gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de Bezwaar- en Beroepschriften van de gemeente Graafstroom van 21 september 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 januari 2000, verzonden op 1 februari 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellanten sub 1 in plaats daarvan, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 bij brief van 7 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2000, en appellant sub 2 bij brief van 13 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2000 heeft C een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van A. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2000, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door G. Schut, ambtenaar der gemeente, en appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. D. Berlijn, advocaat te Alblasserdam, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen C, vertegenwoordigd door mr. M.A. de Boer, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel van appellant sub 2 loopt in oostelijke richting achter het terrein van C langs tot aan een slootje dat de afscheiding vormt met het terrein van Timmerfabriek X. Op het van appellant sub 2 uit meest oostelijke deel van zijn land, op een strook met een lengte van ongeveer 70 meter en een breedte van ongeveer vier meter, heeft appellant sub 2 104 elzenbomen geplant in drie gelijke rijen, teneinde de wand van de timmerfabriek vanaf zijn erf aan het zicht te onttrekken.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Dorpskern Goudriaan" rust op het noordelijk deel van de gronden waarop de elzenbomen zijn geplant de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de aanduiding "z".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische productiebedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 13, sub b, met dien verstande dat de gronden tevens bestemd zijn voor het als neventak van de bedrijfsvoering uitoefenen van intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 1, lid 13, sub d.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - zijn op de gronden met de nadere aanwijzing (z) uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Ingevolge het ter plaatse vigerend bestemmingsplan "Buitengebied, na 1 e herziening" rust op het zuidelijk deel van de gronden waarop de elzenbomen zijn geplant de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de aanwijzing (zb).

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische productiebedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 9, sub b, met inachtneming van de kenmerkende openheid, en met dien verstande dat de gronden tevens zijn bestemd voor het als neventak van de bedrijfsvoering uitoefenen van intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 1, lid 9, sub d.

Ingevolge artikel 14, derde lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - zijn op de gronden met de nadere aanwijzing (zb) uitsluitend hulpgebouwen tot maximaal 50 m' toegestaan.

Ingevolge de artikelen 30, respectievelijk 34 van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en deze voorschriften.

2.3. De Afdeling is van oordeel dat het aanbrengen van een afschermende groensingel in beginsel niet in strijd is met de agrarische bestemming, tenzij er aanknopingspunten zijn voor het tegendeel. Die aanknopingspunten zijn er in dit geval niet. Integendeel kan - voor zover het betreft het bestemmingsplan "Buitengebied, na l e herziening" - uit het feit dat zelfs op gronden met de subbestemming "agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde Aln" het planten van houtgewassen niet algeheel verboden is, maar slechts aanlegvergunningplichtig, worden afgeleid dat de planwetgever het planten van houtgewassen op zichzelf niet, althans niet zonder meer, in strijd met de bestemming "Agrarische doeleinden" heeft geacht. Het vereiste van een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden gesteld ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming. Nu de planwetgever het beplanten met houtgewassen van gronden met de subbestemming "Aln", die zijn bestemd voor behoud en zonodig herstel van de ter plaatse voorkomende landschappelijke en natuurlijke waarden, niet onder alle omstandigheden in strijd met de bestemming heeft geacht, geldt dit zeker voor andere agrarische bestemmingen. Het bestemmingsplan "Dorpskern Goudriaan" biedt geen aanknopingspunten om, voor zover het betreft de gronden waarop dat plan betrekking heeft, tot een andere uitleg te komen.

2.4. Voor het oordeel dat niet van nature op het perceel thuishorende beplanting in strijd met de op dat perceel rustende agrarische bestemming moet worden geacht, bestaat mitsdien geen grond. Dat de bomen zijn aangebracht om de naast de grens van het perceel gelegen fabriekshal aan het zicht te onttrekken, maakt dat niet anders.

2.5. Burgemeester en wethouders waren derhalve niet bevoegd bestuursdwang aan te zeggen. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van C alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De Afdeling ziet in het onderhavige geval aanleiding te bepalen dat het door appellant sub 2 in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 28 januari 2000, AWB 981750;

III. verklaart het door C bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het door appellant sub 2 in hoger beroep betaalde griffierecht (f 340,--) door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar 5 december 2000

97.

Verzonden: 5 december 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,