Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
07-04-2003
Zaaknummer
E01.99.0122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Art. 10.30 verplicht niet tot daadwerkelijk overleg en laat telefonisch overleg op ambtelijk niveau toe.

Onthouding van goedkeuring aan wijzigingsplan "Buitengebied 1996", dat voorziet in het leggen van een agrarisch bouwblok t.b.v. een boomteeltbedrijf.

Op ambtelijk niveau heeft telefonisch overleg plaatsgevonden. Blijkens de artikelsgewijze toelichting uit de Memorie van Toelichting behorende bij art. 10:30 (TK 93-94, 23700, nr. p. 190) kan een overleg als bedoeld in dit artikel zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau plaatsvinden.Het artikel verplicht in ieder geval niet tot daadwerkelijk overleg. De Afdeling is van oordeel dat B&W overeenkomstig art. 10:30, eerste lid Awb de gelegenheid tot overleg is geboden. Dat de desbetreffende ambtenaar niet bevoegd zou zijn geweest om namens B&W het overleg te voeren is niet gebleken. De omstandigheid dat van het ambtelijk overleg geen verslag is gemaakt, leidt evenmin tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met art. 10:30 Awb is genomen, aangezien verweerders overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel in de motivering van het goedkeuringsbesluit hebben verwezen naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerders.

dr. J.C.K.W. Bartel

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

E01.99.0122.

Datum uitspraak: 20 november 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

A te B,

appellant,

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 8 december 1998, nummer RO/1 246, hebben burgemeester en wethouders van Boxmeer het wijzigingsplan "Buitengebied 1996" van de (voormalige) gemeente Vierlingsbeek vastgesteld. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 28 januari 1999, nr. 208458, goedkeuring onthouden aan het wijzigingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij telefax-bericht van 1 maart 1999, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 1999, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 april 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 oktober 1999 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2000, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Roermond, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. C.J. Simons, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Burgemeester en wethouders van Boxmeer hebben zich doen vertegenwoordigen door P.G.C. Claassen, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het Ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het wijzigingsplan voorziet in het leggen van een agrarisch bouwblok voor de nieuwvestiging van een boomteeltbedrijf op het perceel kadastraal bekend sectie […], nr. […], plaatselijk bekend […]weg te […].

2.3. Verweerders hebben bij hun bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het plan. Volgens hen is thans, gelet op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB), nog geen sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf, zodat aan het volwaardigheidscriteriurn als bedoeld in artikel 3.1, onder D.2, zevende lid, van de bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" behorende voorschriften niet is voldaan. Voorts zijn verweerders van mening dat nu geen hergebruiksonderzoek heeft plaatsgevonden, althans dit niet uit de stukken is gebleken, ook niet is voldaan aan het criterium "noodzaak/hergebruik", als bedoeld in evengenoemd artikellid.

2.4. Appellant kan zich met dit besluit niet verenigen. Allereerst voert appellant aan dat niet blijkt dat de gelegenheid is geboden overleg te voeren overeenkomstig artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts heeft appellant aangevoerd dat niet is gebleken dat overleg met burgemeester en wethouders heeft plaatsgevonden danwel dat de desbetreffende ambtenaar bevoegd was namens burgemeester en wethouders te overleggen.

2.4.1. Ingevolge artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de motivering van het goedkeuringsbesluit verwijst naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.

2.4.2. Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders het gemeentebestuur van Boxmeer in de gelegenheid gesteld tot het voeren van overleg. Naar aanleiding hiervan heeft op 11 en 12 januari 1999 op ambtelijk niveau telefonisch overleg plaatsgevonden. Blijkens de artikelsgewijze toelichting uit de Memorie van Toelichting behorende bij artikel 10:30 (TK 93-94, 23700, nr. 3, p. 190), kan een overleg als bedoeld in dit artikel zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau plaatsvinden. Voorts kan aan de Memorie van Toelichting worden ontleend, dat het artikel in ieder geval niet verplicht tot daadwerkelijk overleg. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de gelegenheid tot overleg is geboden. Dat de desbetreffende ambtenaar niet bevoegd zou zijn geweest om namens burgemeester en wethouders het ambtelijk overleg te voeren, is niet gebleken.

De omstandigheid dat van het ambtelijk overleg geen verslag is gemaakt, leidt evenmin tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen, aangezien verweerders overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel in de motivering van het goedkeuringsbesluit hebben verwezen naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.

2.5. Het gebied waarbinnen de vestiging wordt beoogd is blijkens het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" van de (voormalige) gemeente Vierlingsbeek gelegen binnen de agrarische hoofdstructuur met de differentiatie "Concentratie bomenteelt". Blijkens de plankaart is niet voorzien in een agrarisch bouwblok op de beoogdelocatie.

2.5.1. Appellant, die ter plaatse reeds een aanvang heeft gemaakt met de teelt van boomkwekerijgewassen in de volle grond, beoogt op het perceel een boomkwekerij-containerteeltbedrijf te realiseren bestaande uit een bedrijfswoning, kas (5000m2), een schuur, containervelden, een waterbassin (3000m3) en tunnelkassen.

2.5.2. Ingevolge artikel 3.l., onder A.2., eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd de in het schema onder 3 genoemde bestemmingenldifferentiaties in het plan te wijzigen in een andere bestemming voor de in het schema genoemde activiteiten, met in achtname van de in dit artikel genoemde voorwaarden.

Als één van de voorwaarden is blijkens dit artikel gesteld dat advies wordt ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen omtrent de toetsingseisen, te weten volwaardigheid, continuïteit en noodzakelijkheid.

2.5.3. De Afdeling stelt vast dat het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen niet voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.l., onder A.2., eerste lid, van de planvoorschriften, nu dit advies geen oordeel bevat omtrent de toetsingseisen volwaardigheid en continuïteit. Verweerders hebben, door hun besluit mede te doen steunen op dit advies, een besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is mitsdien gegrond. Het bestreden besluit komt deswege voor vernietiging in aanmerking.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.6. Verweerders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 januari 1999, nr. 208458;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten.tot een bedrag van f 1.703,90, waarvan een gedeelte groot f 1.420,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 225,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2000.

218-328.

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,