Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2000
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
200001995/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekendmaking als bedoeld in art. 12.1 Wvg is gericht op rechtsgevolg en geen uitgezonderd besluit als bedoeld in art. 8:3 Awb.

Bekendmaking aan appellanten dat B&W een tot het perceel behorend pad wensen te kopen tegen een nader overeen te komen prijs.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de Wvg aan de bekendmaking, al naar gelang deze inhoudt of de gemeente al dan niet in beginsel tot aankoop wenst over te gaan, het rechtsgevolg verbindt dat de verkoper al dan niet gedurende een bepaalde periode de vrijheid verkrijgt tot vervreemding aan derden over te gaan. Derhalve is sprake van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Dit besluit is niet een besluit in de zin van art. 8:3 Awb, omdat niet kan worden gezegd dat de bekendmaking met het oog op de rechtsbescherming moet worden gezien als onlosmakelijk verbonden met de privaatrechtelijke rechtshandeling van koop van het betrokken onroerende goed, gelet op hetgeen in verband met die bekendmaking overigens in de Wvg - met name in de artikelen 14 en 16 - publiekrechtelijk is geregeld.

Burgemeester en wethouders van Pijnacker, verweerder

mrs. J.A.E. van der Does, J.A.M. van Angeren, B. van Wagtendonk

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2000-12-11
Algemene wet bestuursrecht 8:3, geldigheid: 2000-12-11
Wet voorkeursrecht gemeenten 12, geldigheid: 2000-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/13
BR 2001/95
Gst. 2001-7137, 8
Module Ruimtelijke ordening 2000/5144

Uitspraak

Raad

van State

200001995/1.

Datum uitspraak: 11 december 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A en A-B, wonend te C,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 14 maart 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Pijnacker.

1. Procesverloop

Bij brief van 5 februari 1998 hebben burgemeester en wethouders van Pijnacker (hierna: burgemeester en wethouders) - ter uitvoering van artikel 12, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) - aan appellanten bekend gemaakt dat zij het tot het perceel, kadastraal bekend gemeente […], sectie […] , nummer […], behorende pad wensen te kopen tegen een nader overeen te komen prijs.

Bij besluit van 5 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 16 juni 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 14 maart 2000, verzonden op 17 maart 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 8 november 2000 hebben appellanten een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2000, waar appellanten, in persoon van A, bijgestaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.P.M. Luijkx, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvg kan een verkoper eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te kopen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wvg verstrekt de verkoper, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 10, eerste lid, een schriftelijke opgave aan burgemeester en wethouders van het goed, dat onderwerp uitmaakt van de voorgenomen vervreemding, zomede ten aanzien van de desbetreffende onroerende zaken, de kadastrale aanduiding daarvan, de grootte van elk der desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie en, indien een onroerende zaak waarop de voorgenomen vervreemding betrekking heeft, een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte.

Artikel 12 van de Wvg luidt als volgt: 1. Binnen acht weken na de ontvangst van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde opgave maken burgemeester en wethouders bekend of de gemeente het daarin vermelde goed in beginsel wenst aan te kopen tegen een nader overeen te komen prijs.

2. Indien burgemeester en wethouders binnen de in het vorige lid genoemde termijn hebben bekendgemaakt, dat de gemeente het in zijn opgave vermelde goed niet wenst aan te kopen, heeft de verkoper gedurende de periode van drie jaren na die bekendmaking de vrijheid tot vervreemding aan derden voor zover betreft het in zijn opgave vermelde goed, in dier voege dat die vervreemding moet betreffen alle in zijn opgave vermelde goederen te zamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de verkoper bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, tweede en derde lid, heeft geëist, dat het mede in de verkoop zou worden betrokken.

3. Bij overschrijding door burgemeester en wethouders van de in het eerste lid genoemde termijn is het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de aldaar genoemde periode van drie jaren aanvangt na verloop van die termijn.

2.2. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders terecht hebben geconcludeerd dat artikel 12, derde lid, van de Wvg in dit geval niet van toepassing is. Volgens appellanten hebben zij in een brief van 20 mei 1997 een opgave als bedoeld in artikel 11 van de Wvg gedaan en was als gevolg daarvan ten tijde van de bekendmaking de termijn van acht weken reeds verstreken. Zij waren dan ook vrij tot vervreemding van het pad aan derden over te gaan, aldus appellanten.

2.3. Burgemeester en wethouders hebben in hun memorie gesteld dat appellanten geen belang meer hebben, omdat indien - zoals appellanten menen - de brief van 20 mei 1997 als een opgave in de zin van artikel 11 had moeten worden uitgelegd, de in artikel 12, derde lid, bedoelde termijn van drie jaren inmiddels is verstreken. Dit is reeds hierom onjuist omdat, naar de Afdeling is gebleken, appellanten tot verkoop van het perceel aan een derde zijn overgegaan, onder de ontbindende voorwaarde dat in hoogste rechterlijke instantie wordt beslist dat de verkoper het gekochte niet op de juiste wijze aan de gemeente Pijnacker te koop heeft aangeboden. Niet kan dan ook worden gezegd dat zij geen procesbelang meer hebben.

2.4. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de Wvg aan de bekendmaking, al naargelang deze inhoudt of de gemeente al dan niet in beginsel tot aankoop wenst over te gaan, het rechtsgevolg verbindt dat de verkoper al dan niet gedurende een bepaalde periode de vrijheid verkrijgt tot vervreemding aan derden over te gaan. Derhalve is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eveneens heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit besluit niet een besluit in de zin van artikel 8:3 Awb is, omdat niet kan worden gezegd dat de bekendmaking met het oog op de rechtsbescherming moet worden gezien als onlosmakelijk verbonden met de privaatrechtelijke rechtshandeling van koop van het betrokken onroerende goed, gelet op hetgeen in verband met die bekendmaking overigens in de Wvg - met name de artikelen 14 en 16 -publiekrechtelijk is geregeld.

2.5. De Afdeling verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders de brief van appellanten van 20 mei 1997 terecht niet hebben aangemerkt als een opgave als bedoeld in artikel 11 van de Wvg.

Mede gelet op het systeem van de Wvg moet een dergelijke opgave zodanig worden gedaan dat, bij ontvangst, voor het gemeentebestuur redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan aan het karakter ervan. De belanghebbende die een onduidelijke opgave doet, dient het risico te aanvaarden dat het gemeentebestuur het karakter ervan pas later onderkend. Het bezwaar van appellanten dat aan de door artikel 11 van de Wvg gestelde vereisten was voldaan, slaagt dan ook niet.

Voorts heeft de rechtbank terecht aangenomen dat het karakter van de, in een WOZ-bezwaarschrift vervatte, opgave eerst op 17 december 1997 door een aanvullende presentatie in een telefonisch gesprek van de zijde van appellanten buiten twijfel is geraakt. Na de eerdere telefoongesprekken, waarop appellanten hebben gewezen, was dit gezien de reactie van burgemeester en wethouders nog niet het geval.

Mede gelet op het voorgaande, is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat burgemeester en wethouders terecht hebben geconcludeerd dat artikel 12, derde lid, van de Wvg in verband met de brief van 20 mei 1997 toepassing mist.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2000

43-119.

Verzonden: 11 december 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,