Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200002192/Y40.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200002192/Y40.

Datum uitspraak: 17 november 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet van:

[appellant/opposant], wonend te [woonplaats],

opposant,

vertegenwoordigd door [verzoeker].

1 Procesverloop

Bij uitspraak van 27 juni 2000 in zaak nr. 200002192/P40, verzonden op 29 juni 2000, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om herziening van de uitspraak van 8 juni 1999 in de zaken nrs. H01.99.0304 en K01 -99.0026 afgewezen. De uitspraak van 27 juni 2000 is aangehecht.

[Redactie: zie url(‘AA9239’,http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=22967)]

Tegen deze uitspraak heeft opposant bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 8 augustus 2000, verzet gedaan. Het verzetschrift is aangehecht.

Opposant is desverzocht op 5 oktober 2000 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Hij heeft daarvan gebruik gemaakt bij monde van ir. [verzoeker].

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft in de uitspraak, waarvan verzet, overwogen dat het verzoek eerst eind april 2000, derhalve ongeveer 11 maanden na de uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht, is gedaan en aldus onredelijk laat.

2.2. Het door opposant in zijn verzetschrift aangevoerde leidt niet tot en ander oordeel. Voor zover opposant betoogt dat niet is voorgeschreven, innen welke tijd herziening moet worden gevraagd, wordt overwogen dat in artikel 8:88, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht onder meer het bepaalde in artikel 6:12, derde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, zodat een verzoek om herziening niet onredelijk laat mag worden ingediend. Voor zover hij betoogt dat hij de uitkomst van de door hem verzochte wijziging van het bestemmingsplan moest afwachten, alvorens het verzoek te kunnen doen, overweegt de Afdeling dat dit betoog evenzeer faalt, omdat ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht slechts feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak grond tot herziening kunnen vormen.

2.3. Het verzoek is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet is ongegrond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het verzet ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,