Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901977/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199901977/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 21 juli 1999 in het geding tussen:

[bezwaarde] e.a. te [woonplaats]

en

appellanten.

1 . Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 16 juli 1996 hebben appellanten aan de Marokkaanse Migranten Vereniging respectievelijk de Turkse Solidariteitsvereniging (hierna: de verenigingen) met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat tot 3 april 2000 luidde, en artikel 45 van de Woningwet vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de plaatsing van eik één unit voor gebruik als sociaal, cultureel en religieus centrum op het perceel, kadastraal bekend gemeente Driebergen-Rijsenburg, sectie c, nr. 1270 (ged.), plaatselijk bekend Akkerweg 1 te Driebergen-Rijsenburg.

Bij besluit van 12 november 1996 hebben appellanten de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Driebergen-Rijsenburg, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 juli 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 12 november 1996 ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2000, waar appellanten [appellant 1] en mr.[appellant 2] in persoon, en de overige appellanten, vertegenwoordigd door laatstgenoemde, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door B.J. ter Horst en J. Bosma, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "De Horst e.o." rust op het perceel de bestemming "Buitenplaats IV". Vast staat dat de plaatsing van de units met de desbetreffende planvoorschriften in strijd is.

2.2. Appellanten hebben betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat de units een tijdelijke voorziening vormen en dat derhalve geen toepassing kon worden gegeven aan voormeld artikel 17.

2.3. Blijkens de stukken stond op het perceel Akkerweg 1 een schoolgebouw, dat vanaf 1983 bij de verenigingen in gebruik was als gebeds- en sociëteitsruimte. In 1995 is dit gebouw gesloopt. Nadat de verenigingen gedurende enige maanden elders onderdak hadden gevonden, hebben appellanten hun de in bezwaar gehandhaafde vrijstellingen en bouwvergunningen verleend voor het tijdelijk plaatsen van de units op het perceel Akkerweg 1. Daarbij is de termijn na het verstrijken waarvan de units niet langer in stand mogen worden gehouden vastgesteld op drie jaren. Volgens appellanten zullen deze units worden verwijderd bij het gereedkomen van permanente nieuwbouw voor gebruik door de verenigingen op hetzelfde perceel en is derhalve wel sprake van een tijdelijke voorziening.

2.4. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat de plannen voor permanente nieuwbouw op het perceel ten tijde van het nemen van het besluit van 12 november 1996 nog onvoldoende concreet waren om van dat laatste te kunnen uitgaan. Zij heeft terecht in aanmerking genomen dat appellanten voor ogen stond om een zogenoemde anticipatieprocedure te volgen dan wel het bestemmingsplan te herzien voor het realiseren van permanente nieuwbouw en dat onvoldoende zekerheid bestond over het verloop en de uitkomst hiervan. De Afdeling merkt daarbij op dat niet is gebleken, dat ten tijde van de beslissing op bezwaar een duidelijk plan bestond met betrekking tot de aard en de omvang van de beoogde voorzieningen, laat staan dat sprake was van enige planning waarbinnen een en ander uitgevoerd moest zijn. Dat appellanten met de beide verenigingen een zogenoemde samenwerkingsovereenkomst hebben afgesloten, waaruit blijkt dat wordt gestreefd naar de totstandkoming van permanente nieuwbouw op het betrokken perceel, en dat inmiddels - na de beslissing op bezwaar de hulp is ingeroepen van het Multicultureel Centrum Utrecht om onder meer met omwonenden te overleggen over de plannen voor de nieuwbouw kan bezwaarlijk gelden als een uitvloeisel van een planmatige aanpak. Er zijn derhalve onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat burgemeester en wethouders er van uit mochten gaan dat de permanente nieuwbouw daadwerkelijk (binnen de termijn) zou worden gerealiseerd. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden het besluit van 12 november 1996 vernietigd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Appellanten dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg in de door [appellant 2] en [appellant 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van elk f 73,70; de bedragen dienen door de gemeente Driebergen-Rijsenburg te worden betaald aan [appellant 2] respectievelijk [appellant 1].

Aldus vastgesteld door mr. J.H. Grosheide, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. D.A. Verburg, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van de

ambtenaar van Staat:

w.g. Grosheide w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2000

201.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,