Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA9028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200001095/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200001095/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 21 januari 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1 Procesverloop

Bij besluit van 7 april 1999 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) het aan appellant afgegeven vliegbewijs A met de daarin gestelde bevoegdverklaringen met onmiddellijke ingang geschorst onder bepaling dat de schorsing wordt opgeheven door het met gunstige uitslag afleggen van de theoretische examens in de vakken Voorschriften en Vliegtuigen en het praktisch examen.

Bij besluit van 21 september 1999 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 januari 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 27 maart 2000. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2000 heeft de minister een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de minister toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.B. Westerhuis en vergezeld door A . B.M. van Pinxteren, hoofd Opleiding Beroepsvliegers Schiphol, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H.H. Bisschoff, werkzaam bij de Nederlandse Luchtvaart Autoriteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 27, eerste lid, onder a, van de Regeling Toezicht Luchtvaart, zoals gewijzigd bij Besluit van 17 december 1997 (Stb. 1997, 726; hierna: RTL), kan bij twijfel aan de nodige geschiktheid van de houder van andere bewijzen van bevoegdheid dan de in het eerste lid onder b genoemde, door de minister worden bepaald dat de betrokkene opnieuw een gehele of gedeeltelijke keuring zal moeten ondergaan, onderscheidenlijk zich opnieuw aan een geheel of gedeeltelijk examen zal moeten onderwerpen,

terwijl voorts het bewijs kan worden geschorst.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder b, wordt de schorsing opgeheven, indien met gunstige uitslag het in het eerste lid bedoelde examen is afgelegd.

2.2. Appellant is op 8 maart 1999 betrokken geweest bij een incident op het vliegveld Midden-Zeeland, waarbij het door hem bestuurd vliegtuig bij de landing in een greppel is geraakt.

2.2.1. Naar aanleiding daarvan heeft de Rijksluchtvaartdienst een onderzoek ingesteld, waaruit de minister heeft opgemaakt dat appellant bewust het risico heeft genomen dat hij, hoewel daartoe onbevoegd, de vlucht buiten de uniforme daglichtperiode zou moeten voortzetten. Verder is appellant op baan 27 geland, hoewel in het seinenvierkant was aangegeven dat op baan 09 moest worden geland. Tenslotte heeft appellant volgens de minister die dag beroepsmatig gevlogen, waartoe hij niet bevoegd was.

2.2.2. De minister heeft uit deze omstandigheden afgeleid dat twijfel bestaat aan de geschiktheid van appellant om de bevoegdheden die voortvloeien uit het hem afgegeven vliegbewijs A uit te oefenen en op diegrond het besluit van 7 april 1999 genomen, zoals gehandhaafd bij het in beroep bestreden besluit.

2.3. Ten aanzien van het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat hij, in strijd met artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet in de gelegenheid is geweest zijn zienswijze over het voornemen van de minister het vliegbewijs te schorsen naar voren te brengen, wordt overwogen dat op 25 maart 1999 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, waarbij appellant de toedracht van het ongeval en de overige gebeurtenissen heeft kunnen toelichten. Hij is aldus in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het mogelijk te nemen besluit naar voren te brengen. Anders dan appellant voorts heeft gesteld, blijkt uit de aan hem voor die hoorzitting verzonden uitnodiging dat werd overwogen zijn vliegbewijs te schorsen. Voorzover het betoog er toe strekt dat hem toen ten onrechte niet alle stukken ter beschikking zijn gesteld, mist het feitelijke grondslag. Appellant beschikte over de schriftelijke gegevens die voorhanden waren, niet van alle gesprekken zijn verslagen gemaakt.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank vinden de conclusies die de minister heeft getrokken uit het onderzoek naar het ongeval voldoende steun in de feiten en heeft hij daaruit met juistheid afgeleid dat appellant niet heeft gehandeld conform de geldende regels. Gelet hierop kon de minister volgens de rechtbank krachtens het bepaalde in artikel 27, eerste lid, RTL het vliegbewijs schorsen en kan volgens haar niet worden geoordeeld dat de minister niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, zoals hij heeft gedaan.

2.4.1. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de nodige geschiktheid, als bedoeld in artikel 27 RTL, ziet op geestelijke en lichamelijke gezondheid, alsmede op voldoende theoretische kennis en praktische bedrevenheid en dat daaronder niet mag worden begrepen dat een houder van een vliegbewijs handelt conform de geldende regels. Verder heeft de rechtbank volgens appellant miskend dat de uit het onderzoek van de Rijksluchtvaartdienst naar voren gekomen conclusies strafbare feiten betreffen, ten aanzien waarvan de minister en de rechtbank niet bevoegd zijn te oordelen. Voorts bestrijdt appellant dat hij niet voldoende tijd zou hebben gehad om, indien nodig, naar een ander vliegveld uit te wijken en daar voor zonsondergang te landen. Appellant heeft verder gesteld dat hij het op grond van zijn ervaring onder de gegeven omstandigheden beter vond om op een andere baan te landen dan in het seinenvierkant was aangegeven en dat hij ervan uitging daarvoor toestemming van de havendienst te hebben gekregen. Bij het landen heeft hij volgens hem slechts een beoordelingsfout gemaakt. Tenslotte heeft appellant betwist dat hij die dag beroepsmatig heeft gevlogen.

2.5. De bevoegdheid van de minister om een vliegbewijs te schorsen op de daarvoor in artikel 27 RTL gegeven gronden is een maatregel van bestuurlijke aard. Anders dan appellant betoogt, is geen sprake van strafvervolging of het opleggen van een punitieve sanctie, nu de maatregel uitsluitend bedoeld is om te worden toegepast in het belang van de luchtverkeersveiligheid.

2.5.1. Wat betreft het oordeel van de rechtbank dat de minister uit het gedrag van appellant heeft kunnen afleiden dat hij op dat moment niet beschikte over voldoende kennis van de regels, wordt als volgt overwogen.

2.5.1.1. Appellant is, zoals uit het onderzoek naar voren is gekomen, om 18.45 uur op het vliegveld Midden-Zeeland geland, terwijl hij, als houder van een vliegbewijs A zonder de bevoegdheid "Blindvliegen", slechts binnen de uniforme daglichtperiode, die op die dag tot 18.46 uur duurde, mocht vliegen. Gelet hierop, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant zich in de positie heeft gebracht dat hij de landing onder tijdsdruk zou moeten uitvoeren, hoewel hij ervan op de hoogte was althans kon en moest zijn dat de baanconditie op het vliegveld Midden-Zeeland slecht was, zodat hij er rekening mee moest houden dat hij niet bij de eerste nadering zou kunnen landen en eventueel zelfs naar een ander vliegveld zou moeten uitwijken, waarvoor hij voor het verstrijken van de uniforme daglichtperiode geen tijd zou hebben gehad.

2.5.1.2. Wat betreft het handelen in strijd met de landingsrichting - ingevolge artikel 33, tweede lid, van het Luchtverkeersreglement moet bij het waarnemen of ontvangen van enig sein, als bedoeld in het eerste lid, worden gehandeld overeenkomstig de bij ministeriƫle regeling vastgestelde betekenis van het sein - heeft de minister het betoog van appellant dat hij aan het radiografisch contact dat hij kort voor de landing met [gesprekspartner] heeft gehad de conclusie mocht verbinden dat hij, in afwijking van hetgeen in het seinenvierkant was aangegeven, op baan 27 kon landen, terecht niet als juist aanvaard. Deze [gesprekspartner] maakte, zoals appellant wist, geen deel uit van de havendienst en kon de benodigde toestemming, als dat al beoogd zou zijn, niet verlenen. Uit het ontbreken van contact met de havenmeester kon voorts, wat daar verder ook van zij, niet op enigerlei wijze toestemming worden afgeleid. Appellant had zich dan ook aan de in het seinenvierkant aangegeven circuit richting dienen te houden. De minister heeft geen omstandigheden aanwezig hoeven achten, als bedoeld in artikel 9 van de Wet Luchtverkeer, waarin van de bij of krachtens de wet gestelde regels mocht worden afgeweken omdat dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk was.

2.5.1.3. Tenslotte is uit het onderzoek naar voren gekomen dat appellant dezelfde dag een medewerker van de eigenaar van het vliegtuig heeft vervoerd, waarvoor hij een vergoeding in de vorm van gratis vlieguren heeft gekregen. Gelet hierop, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zonder te beschikken over de daarvoor vereiste bevoegdheid beroepsmatig heeft gevlogen, als bedoeld in artikel 13 RTL, en dit aspect bij de beschouwingen betrokken.

2.5.2. Het vorenstaande rechtvaardigde, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, voor de minister twijfel aan de geschiktheid, als bedoeld in artikel 27 RTL, op grond waarvan een aanvullende toets op kennis en kunde noodzakelijk kon worden geacht. Voor de door appellant voorgestane beperkte uitleg van die bepaling is geen plaats. Niet kan worden geoordeeld dat de resultaten van het onderzoek naar de toedracht van het incident het oordeel van de minister niet kunnen schragen. Dat appellant, naar hij stelt, een ervaren piloot is, doet daaraan niet af. De rechtbank heeft verder evenzeer met juistheid overwogen dat evenmin plaats is voor het oordeel dat de minister het belang van de luchtverkeersveiligheid niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan dat van appellant bij het ononderbroken behoud van zijn vliegbewijs A.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2000

128-206/18.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,