Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901446/1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proef-samenwoning. I.c. kon op grond van feitelijk verblijf elders niet worden geconcludeerd tot wijziging hoofdverblijf.

Nadere vaststelling huursubsidie op nihil en terugvordering van het ten onrechte teveel betaalde op de grond dat appellante niet feitelijk haar hoofdverblijf had op het betrokken adres. Voor de uitleg van de term hoofdverblijf is in de eerste plaats het adres van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van belang. Van de juistheid van deze gegevens dient in beginsel te worden uitgegaan.

I. c. is uit de stukken gebleken dat appellante, hoewel zij sedert het voorjaar van 1995 meestentijds bij haar vriend verbleef, haar woning op het betrokken adres aanhield en daar ook af en toe verbleef, hetgeen o.a. blijkt uit het (geringe) waterverbruik in deze woning. Dat stemt ook overeen met haar verklaring, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van de Dienst Recherchezaken van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, waarin zij verklaart op dat moment nog niet te weten of zij helemaal zou intrekken bij haar vriend of juist niet. Hieruit wordt afgeleid dat sprake was van een nog niet uitgekristalliseerde vorm van samenwoning tussen appellante en haar vriend.

Onder deze omstandigheden, die overeenkomen met de situatie van langdurige uithuizing in verband met arbeid elders, langdurige opname in bijvoorbeeld een ziekenhuis of detentie, kon de staatssecretaris niet zonder meer enkel op grond van het feitelijk verblijf van appellante bij haar vriend tot wijziging van het hoofdverblijf concluderen, te meer niet nu appellante over de betrokken periodes huur heeft betaald, de woning niet heeft onderverhuurd en ook thans weer op het betrokken adres woont.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Dr J.C.K.W. Bartel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199901446/1.

Datum uitspraak: 20 november 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonende te B,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 24 juni 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 27 augustus 1997 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) de aan appellante verstrekte huursubsidie over de subsidietijdvakken 1 juli 1995 tot 1 juli 1996 en 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 betreffende de woning […]straat 9 te B nader vastgesteld op nihil en het ten onrechte betaalde teruggevorderd.

Bij besluit van 12 januari 1998 heeft de staatssecretaris het door appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 juni 1999, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 juli 1999, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 september 1999 heeft de staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2000, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.G. van Rosmalen, ambtenaar ten departemente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, onder c, van de Huursubsidiewet wordt - voor zover hier van toepassing - onder huurder verstaan de persoon, die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning.

2.2. De staatssecretaris heeft zich in zijn besluit van 12 januari 1998 op het standpunt gesteld, dat appellante feitelijk niet haar hoofdverblijf had op het adres […]straat 9 te B. Dit standpunt steunt mede op de door appellante afgelegde en ondertekende verklaringen, waaruit blijkt dat zij tenminste sedert het voorjaar van 1995 veelal elders, namelijk bij haar vriend X te Y, verbleef. Appellante heeft verklaard slechts één of twee dagen in de week op het subsidieadres te verblijven.

Deze verklaringen maken deel uit van het proces-verbaal van 11 juni 1997 van de Dienst Recherchezaken van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

2.3. Uit voornoemd proces-verbaal komt verder naar voren dat volgens informatie van de afdeling Burgerzaken van de gemeente C appellante sinds 15 oktober 1985 onafgebroken stond ingeschreven op het subsidieadres aan de […]straat 9 te B.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 7 april 1997, inzake no. R01.93.3164, gepubliceerd in Jurisprudentie SV 19971283, is voor de uitleg van de term hoofdverblijf in de eerste plaats het adres van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van belang. Van de juistheid van deze gegevens dient in beginsel te worden uitgegaan.

2.4.1. Uit de stukken is de Afdeling gebleken, dat appellante, hoewel zij sedert het voorjaar van 1995 meestentijds bij X verbleef, haar woning aan de […]straat aanhield en daar ook af en toe verbleef, hetgeen onder andere blijkt uit het (geringe) waterverbruik in deze woning. Dit stemt ook overeen met haar verklaring van 21 april 1997, opgenomen als bijlage 17 bij voornoemd proces-verbaal, waarin zij verklaart op dat moment nog niet te weten of zij helemaal zou intrekken bij X of juist niet.

2.4.2. De Afdeling leidt hieruit af dat sprake was van een nog niet uitgekristalliseerde vorm van samenwoning tussen appellante en X. Onder deze omstandigheden, die overeenkomen met de situatie van langdurige uithuizigheid in verband met arbeid elders, langdurige opname in bijvoorbeeld een ziekenhuis of detentie, kon de staatssecretaris niet zonder meer enkel op grond van het feitelijk verblijf van appellante bij X tot wijziging van het hoofdverblijf concluderen, te meer niet nu appellante over de betrokken periodes huur heeft betaald. de woning niet heeft onderverhuurd en ook thans weer op het adres […]straat 9 woont.

2.4.3. Nu de staatssecretaris aan dit aspect geen aandacht heeft besteed, ontbeert de beslissing van 12 januari 1998 een deugdelijke motivering. De Afdeling zal haar dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Aangezien de rechtbank dit heeft miskend, is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak eveneens te worden vernietigd.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 24 juni 1999, Reg.nr. 98/135 WET;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 januari 1998, S l 8/2C/1 68;

V. draagt de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer pp met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.130,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 19.23.23.091 onder vermelding van het zaaknummer);

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 210,00 +f 340,00 = f 550,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Tuinhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Tuinhout

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2000

77-209.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,