Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200005000/02
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200005000/02.

Datum uitspraak: 21 november 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:

1 . de vennootschap naar Luxemburgs recht "RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A." en

2. de vennootschap naar Luxemburgs recht "CLT-UFA S.A.", beide gevestigd te Luxemburg,

verzoeksters,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 7 september 2000 in het geding tussen:

verzoeksters

en

het Commissariaat voor de Media.

1 . Procesverloop

Bij brief van 20 november 1997 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A. (hierna: HMG) met betrekking tot de programma's van RTL4 en RTL5 aangemerkt als de verantwoordelijke omroeporganisatie, een commerciële omroepinstelling in de zin van de Mediawet en gevestigd in Nederland, die aldus onder zijn toezicht valt. Tevens heeft het daarbij te kennen gegeven dat het de voortgezette uitzending van die programma's onder bepaalde, nader aangegeven, omstandigheden voor bepaalde duur gedoogt.

Bij besluit van 31 maart 1998 heeft het Commissariaat het daartegen door verzoeksters gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit, onder wijziging van de duur en de omstandigheden waaronder wordt gedoogd, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 7 september 2000, verzonden op 15 september 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoeksters ingestelde beroep ongegrond verklaard en bepaald dat de door haar president getroffen voorlopige voorziening eerst zes weken na toezending van de uitspraak vervalt.

Tegen deze uitspraak hebben verzoeksters bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2000, hoger beroep ingesteld. Voorts hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 november 2000, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. E.J. Dommering, advocaat te Amsterdam, mr. W.M.M. de Vries en J.P. Boever, werkzaam bij onderscheidenlijk HMG en CLT-UFA, en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Voorts is daar SBS Broadcasting B.V., vertegenwoordigd door mr. L. Oosting, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij de brief van 20 november 1997 heeft het Commissariaat onder meer kennis gegeven van zijn beslissing de voortgezette uitzending van de desbetreffende programma's, hoewel HMG niet beschikt over de daarvoor volgens hem vereiste toestemming, te gedogen, mits HMG uiterlijk voor 6 januari 1998 bedoelde toestemming aanvraagt en, voorzover de televisieprogramma's van RTL 4 en RTL5 inhoudelijk nog niet voldoen aan de desbetreffende eisen, deze zo snel mogelijk daaraan aanpast en ervoor zorgt dat deze daaraan uiterlijk 1 maart 1998 voldoen. Dit gedogen eindigt, wat betreft de uitzending via de kabel, op 6 januari 1998 indien HMG niet voor deze datum een aanvraag heeft ingediend, en, indien die wel is ingediend, op de datum van bekendmaking van de beslissing op de aanvraag. Wat betreft de inhoud van de programma's eindigt het gedogen op 1 maart 1998.

Bij de beslissing op bezwaar zijn de vorenbedoelde data gewijzigd in 1 maart 1998 onderscheidenlijk 1 september 1998.

2.2. Als gevolg van de uitspraak van de rechtbank eindigde de termijn voor doorgifte van de programma's in de huidige vorm via de kabel op 28 oktober 2000. Om aan de belangen van HMG enigszins tegemoet te komen, heeft het Commissariaat op 2 november 2000 nader besloten dat wat betreft de doorgifte van de programma's via de kabel de gedoogsituatie op 1 december 2000 wordt beëindigd, tenzij voor die datum de toestemming wordt aangevraagd en dat wat betreft de inhoud van de programma’s het gedogen eindigt op 1 februari 2001.

2.3. In elk geval voorzover daarbij sprake is van een wijziging van de gedoogtermijnen, merkt de Voorzitter de brief van 2 november 2000 vooralsnog aan als houdende een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Conform de ter zitting geuite wens van verzoeksters zal de Voorzitter dit besluit op de voet van het eerste lid van artikel 6:19 van de Awb bij de beoordeling van het verzoek betrekken.

2.4. Het inhoudelijke geschil betreft, kort gezegd, de vraag of het Commissariaat HMG - gelet op de Mediawet en de Richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (de Richtlijn "Televisie zonder grenzen"; PbEg L 298), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG - terecht als verantwoordelijk voor de uitzendingen van RTL4 en RTL5 in Nederland onder zijn toezicht acht. Indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, heeft het gedoogbesluit geen betekenis, omdat voor die uitzendingen door de Luxemburgse autoriteiten een concessie is afgegeven en in dat geval geen Nederlandse toestemming is vereist.

2.5. Het gaat in deze zaak om een complexe materie, waarbij onder meer vragen van gemeenschapsrecht aan de orde zijn, die zich niet lenen voor beantwoording in de onderhavige procedure. Echter ook indien geen grond aanwezig zou zijn voor het oordeel dat op voorhand valt aan te nemen dat de in hoger beroep aangevallen uitspraak van de rechtbank niet voor bevestiging in aanmerking komt, bestaat bij afweging van alle daarbij in aanmerking te nemen belangen toch aanleiding voor het treffen van na te melden voorziening. Daartoe wordt met name overwogen dat valt aan te nemen dat het Commissariaat, indien geen voorziening wordt getroffen, allerlei - nadere - besluiten zal nemen ter uitvoering van zijn beslissing om voortgezette uitzending van de desbetreffende programma's niet langer te gedogen en dat tegen die besluiten rechtsmiddelen zullen worden aangewend, waarin dezelfde rechtsvragen zullen worden opgeworpen als thans in het bodemgeschil aan de orde zijn. De met die uitvoering gediende belangen wegen onder die omstandigheden niet op tegen de bezwaren die een dergelijke situatie oproept uit een oogpunt van rechtszekerheid. Voorts wordt daarbij in aanmerking genomen dat het bodemgeschil versneld zal worden behandeld en dat de behandeling ter zitting ervan begin maart 2001 zal kunnen plaatsvinden.

2.6. Het Commissariaat dient op na te melden wijze in de kosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitvoerbaarheid van de besluiten van het Commissariaat van 20 november 1997, 31 maart 1998 en 2 november 2000, totdat de Afdeling in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan;

II. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

III. veroordeelt het Commissariaat in de door verzoeksters in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.420,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Commissariaat aan verzoeksters te worden betaald;

IV. gelast dat het Commissariaat aan verzoeksters het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van f 675,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2000

18.

Verzonden: 21 november 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,