Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
11-05-2006
Zaaknummer
200000248/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aantekening op vaarbevoegdheidsbewijs verwijst naar wettelijke eis en is niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg.

Aan appellant, van Duitse nationaliteit, is een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven met daarop de aantekening dat het appellant op grond van Nederlandse wetgeving niet is toegestaan aan boord van in Nederland geregistreerde schepen de functie van kapitein uit te oefenen.

Afdeling: Reeds uit art. 29 Zbw zelf vloeit de eis van het Nederlanderschap voor de functie van kapitein op een Nederlands schip voort. De in het vaarbevoegdheidsbewijs opgenomen en door appellant aangevochten aantekening is om die reden slechts op te vatten als een verwijzing naar deze wettelijke eis en is niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg.

Bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder

mrs. P. van Dijk, J.H. Grosheide, J.A.M. van Angeren

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200000248/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B (Duitsland),

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 december 1999 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1 . Procesverloop

Op 27 oktober 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) aan appellant een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven. Hierop is de aantekening geplaatst dat het appellant op grond van Nederlandse wetgeving niet is toegestaan aan boord van in Nederland geregistreerde schepen de functie van kapitein uit te oefenen.

Bij besluit van 31 maart 1999 heeft de minister het door appellant tegen die aantekening gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 december 1999, verzonden op 13 december 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 april 2000 heeft de minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2000, waar C, gemachtigde van appellant, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Brieƫr, mr. A.J. Kramers en P.C. Klaassen, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant, van Duitse nationaliteit, heeft op 24 augustus 1998 en op 20 oktober 1998 een vaarbevoegdheidsbewijs aangevraagd voor de functie van kapitein grote zeilvaart.

Op 27 oktober 1998 is appellant een vaarbevoegdheidsbewijs verleend, zij het dat daarin de aantekening is opgenomen dat hij aan boord van Nederlandse schepen niet de functie van kapitein mag uitoefenen.

Tegen het oordeel van de rechtbank dat deze aantekening niet ten onrechte in het vaarbevoegdheidsbewijs is geplaatst, richt zich het hoger beroep. De in artikel 29, eerste lid, van de Zeevaartbemanningswet (hierna: de Zbw) neergelegde eis van het Nederlanderschap voor een kapitein op Nederlandse schepen is volgens appellant in strijd met het EG-recht.

2.2. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de in het op 27 oktober 1998 afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs geplaatste aantekening, als (onderdeel van) een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt.

2.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 7: 1, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

2.4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Zbw worden op Nederlandse schepen alleen Nederlanders als kapitein aangesteld.

2.5. De Afdeling stelt vast dat reeds uit artikel 29 van de Zbw zelf de eis van het Nederlanderschap voor de functie van kapitein op een Nederlands schip voortvloeit. De in het vaarbevoegdheidsbewijs opgenomen en door appellant aangevochten aantekening is om die reden slechts op te vatten als een verwijzing naar deze wettelijke eis en is niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Het vorenstaande betekent dat het op 27 oktober 1998 afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs, voor zover het genoemde aantekening betreft, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat hiertegen ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar kon worden gemaakt. Dit heeft de rechtbank miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 31 maart 1999, waarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard, vernietigen. De Afdeling zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

2.7. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling niet meer toe aan een beoordeling van de door appellant opgeworpen stelling met betrekking tot de strijdigheid van artikel 29, eerste lid, van de Zbw met het communautaire recht noch aan zijn beroep op het tweede lid van dit artikel en artikel 30 van de Zbw.

2.8. De Afdeling acht termen aanwezig om de minister op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 december 1999, AWB 9914060 BESLU;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 maart 1999, G/J-99000590;

V. verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. veroordeelt de Minister van Verkeer en Waterstaat in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2875,00, waarvan een bedrag van f 2840,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 565,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H. Grosheide en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2000.

43-238.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,