Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200002027/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200002027/1

Datum uitspraak: 4 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de raad der gemeente Rijswijk,

appellant,

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder.

1 Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 1999, verzonden op 2 juli 1999, heeft de raad der gemeente Rijswijk (hierna ook: de raad) besloten het verzoek van het Bestuur van de Haagse Nutsscholen van 15 januari 1999 om opname van een algemeen-bijzondere basisschool in het Rijswijkse deel van Ypenburg op het Plan van nieuwe scholen 2000-2003 niet in te willigen en de vaststelling van dit plan achterwege te laten.

Bij besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder het tegen dit besluit door het Bestuur van de Haagse Nutsscholen (hierna: het Bestuur) ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van de raad van 22 juni 1999 vernietigd, voorzover het betreft de afwijzing van voornoemd verzoek en bepaald dat de raad de door het Bestuur verlangde school opneemt in het plan van scholen 2001-2004. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 april 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 juni 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 juni 2000 heeft het Bestuur een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door drs. A.B.C.M.E. Linders, gemachtigde, en E.H.J. Eijkman, ambtenaar der gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.M. Klein, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts zijn gehoord drs. B.A. Mom en mr. T.J.W.M. Stals, gemachtigden van het Bestuur.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 22 juni 1999, verzonden op 2 juli 1999, heeft de raad besloten het verzoek van het Bestuur om opname van een algemeen-bijzondere basisschool in het Rijswijkse deel van Ypenburg op het Plan van nieuwe scholen 2000-2003 niet in te willigen en vaststelling van het plan achterwege te laten. Hij heeft hiertoe overwogen dat enkel het Rijswijkse deel van Ypenburg als voedingsgebied van de nieuwe school mag worden aangemerkt en dat het bestuur bij het opstellen van de prognose ten onrechte is uitgegaan van het belangstellingspercentage voor algemeen-bijzonder onderwijs in de gemeente Voorburg. Als van de juiste gegevens wordt uitgegaan voldoet de te stichten school niet aan de stichtingsnorm.

2.2. Bij besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder het door het Bestuur tegen het raadsbesluit ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad de door het Bestuur verlangde school opneemt in het plan van scholen 2001-2004. Hij heeft hiertoe - onder meer - overwogen dat het bestuur van een te stichten school vrij is in de keuze van het voedingsgebied en dit voedingsgebied - anders dan de gemeenteraad meent - zich kan uitstrekken over het grondgebied van diverse gemeenten. Verder is verweerder van mening dat het Bestuur de gemeente Voorburg als vergelijkbare gemeente als bedoeld in artikel 76, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op het primair onderwijs heeft kunnen aanmerken. Als wordt uitgegaan van het voor de gemeente Voorburg geldende belangstellingspercentage en van de basisgeneratie van het gehele gekozen voedingsgebied voldoet de te stichten school aan de voor de gemeente Rijswijk geldende stichtingsnorm van 285 leerlingen.

2.3. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) gaat een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, vergezeld van - onder meer - een prognose van het te verwachten aantal leerlingen.

Ingevolgde artikel 75, derde lid, tweede volzin, van de WPO bevat de prognose onder meer gegevens omtrent het voedingsgebied en de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de WPO moet een verzoek om opneming in het plan van een bijzondere school voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden ingediend.

Ingevolge artikel 76, tweede lid, van de WPO - voorzover thans van belang - gaat het verzoek vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75', eerste lid, juncto artikel 75, derde lid, met dien verstande dat indien het betreft een richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven de prognose in afwijking van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid onder c 6<1 en c 71 gegevens bevat omtrent het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de WPO neemt de gemeenteraad een bijzondere school in eik geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij gedurende vijf jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende vijftien jaar na die periode van vijf jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

De stichtingsnorm voor de gemeente Rijswijk bedraagt 285 leerlingen.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van de WPO kunnen, indien de gemeenteraad een verzoek tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet heeft ingewilligd, de verzoekers bij de Minister in beroep komen.

2.4. Uitgangspunt dient, gelet op het stelsel van de wet, te zijn dat de gemeenteraad beoordeelt of het verzoek tot opneming van een bijzondere school in het plan van scholen, in aanmerking genomen de daaraan ingevolge de wet te stellen eisen, kan worden toegewezen.

2.4.1. Verweerder dient in administratief beroep het besluit van de gemeenteraad daaromtrent volledig te toetsen.

2.4.2. Voor de onderhavige zaak brengt het vorenstaande mee dat verweerder niet, zoals hij heeft gedaan, had dienen te toetsen of het Bestuur in redelijkheid de gehele locatie Ypenburg als voedingsgebied en de gemeente Voorburg als vergelijkbare gemeente heeft kunnen aanmerken, doch of het besluit van appellant van 22 juni 1999 op juiste gronden is genomen

2.4.3. In dit verband had verweerder allereerst dienen na te gaan of appellant terecht heeft geoordeeld dat het Bestuur bij de bepaling van het voedingsgebied niet van de gehele locatie Ypenburg, doch slechts van het Rijswijkse gedeelte daarvan had mogen uitgaan.

2.4.4. Vooropgesteld zij dat de wet een keuze voor een voedingsgbied dat zich uitstrekt over meerdere gemeenten niet verbiedt en bijzondere scholen in beginsel derhalve de vrijheid hebben daartoe over te gaan. Dit betekent, gelet op het stelsel van de wet, evenwel niet dat op dit punt geen enkele beperking zou gelden en willekeurig eik voedingsgebied zou kunnen worden gekozen. Tussen het gekozen voedingsgebied en de gewenste plaats van vestiging van de school dient in zoverre een relatie te bestaan dat aannemelijk moet zijn dat daadwerkelijk en in voldoende mate leerlingen uit het gekozen gebied zullen worden aangetrokken. In aanmerking genomen dat de door het Bestuur gewenste school zal worden gevestigd in hetzelfde gebied dat ook als voedingsgebied is gekozen (Ypenburg) en het daarbij bovendien gaat om een door verkeerswegen omsloten, duidelijk afgegrensde en geheel nieuw te bouwen locatie, kan er vanuit gegaan worden dat in het onderhavige geval aan voormeld vereiste wordt voldaan.

2.4.5. Het vorenstaande betekent dat appellant de keuze voor de gehele locatie Ypenburg als voedingsgebied ten onrechte als grond voor afwijzing van het verzoek tot plaatsing op het plan van scholen heeft gehanteerd en verweerders beslissing derhalve ook bij een juiste toetsing niet anders had kunnen uitvallen dan in het bestreden besluit is geschied.

2.5. Vervolgens had door verweerder nagegaan moeten worden of appellant, alle omstandigheden in aanmerking genomen, terecht het standpunt heeft ingenomen dat Voorburg niet als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt.

2.5.1. In de gemeente Rijswijk noch in Nootdorp of Pijnacker, op wier grondgebied eveneens delen van het voedingsgebied van de te stichten school zijn gelegen, bestaat een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs. Op grond van het bepaalde in artikel 76, tweede lid, onder a, van de WPO dient de prognose derhalve gegevens te bevatten omtrent het belangstellingspercentage voor algemeen-bijzonder basisonderwijs in een vergelijkbare gemeente.

2.5.2. Het Bestuur heeft - met name gelet op het inwoneraantal - Voorburg aangemerkt als vergelijkbare gemeente. Appellant heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat - gelet op de gemiddelde belangstelling voor algemeen-bijzonder basisonderwijs in Zuid-Holland - het belangstellingspercentage in Voorburg uitzonderlijk hoog is en dat deze gemeente derhalve niet als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt.

2.5.3. Verweerder had er in dit verband - anders dan hij heeft gedaan - niet mee kunnen volstaan uitsluitend te bezien of Voorburg wat betreft geografische ligging, leerlingdichtheid en inwonertal in redelijkheid als vergelijkbaar met Rijswijk kan worden aangemerkt, doch hij had alle argumenten die appellant heeft aangevoerd ter staving van zijn standpunt dat hier een andere keuze aangewezen is, moeten wegen. In dat kader had onder meer moeten worden beoordeeld of Voorburg, gelet op de verwachte demografische samenstelling van de bevolking van Ypenburg - naar appellant onbetwist heeft gesteld moet worden aangenomen dat circa 75% daarvan uit Den Haag afkomstig zal zijn - wel als vergelijkbare gemeente kan gelden en of Voorburg ook voor de gemeenten Pijnacker en Nootdorp, waarvan eveneens delen zijn betrokken in de locatie Ypenburg, als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt. In een geval als het onderhavige, waar het voedingsgebied delen van meerdere gemeenten omvat, ligt het immers niet zonder meer voor de hand bij de beoordeling, of een gemeente als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt, slechts uit te gaan van één van deze gemeenten.

2.6. Waar verweerder op dit punt een onjuiste toetsing heeft uitgevoerd is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 10 maart 2000, Cfi/FJZ/JAF-99/7613 M;

III. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 450,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.H. Grosheide, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2000

66-284.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,