Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200000302/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

200000302/1.

Datum uitspraak:11 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Sittard, appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 3 december 1999 in het geding tussen:

[bezwaarde], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 1999 hebben appellanten de bij besluit van 11 augustus 1987 aan [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) verleende vergunning tot het bouwen van een tuincentrum op het perceel, gelegen aan de [straat] te [plaats], ingetrokken.

Bij besluit van 14 september 1999 hebben appellanten het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 27 augustus 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 december 1999, verzonden op 10 december 1999, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de president) het: tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 januari 2000, bij de Raad van Sta-te ingekomen op 20 januari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2000 heeft [bezwaarde] een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door J.F.M. Giesen, ambtenaar der gemeente, en [bezwaarde] in persoon, bijgestaan door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin met de werkzaamheden is gemaakt of indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen. Deze termijn is in artikel 4.1, aanhef en onder a en b, van de Bouwverordening van de gemeente Sittard gesteld op 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning.

2.2. Bij besluit van 11 augustus 1987 is aan [bezwaarde] vergunning verleend voor, het bouwen van een tuincentrum op een perceel gelegen aan de [straat]. Vast staat dat met de werkzaamheden nimmer een begin is gemaakt. Appellanten waren derhalve bevoegd de vergunning in te trekken.

2.3. Het hoger beroep van appellanten richt zich tegen het oordeel van de president dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.1. Appellanten betogen dat de president daartoe ten onrechte heeft overwogen dat [bezwaarde] tijdens de bij hen gehouden hoorzitting heeft aangegeven in de nabije toekomst gebruik te willen maken van de bouwvergunning en te beschikken over een huurcontract dat tot uitvoering van de bouwvergunning noopt. Volgens appellanten heeft [bezwaarde] een en ander eerst tijdens de zitting bij de president kenbaar gemaakt en konden zij bij het nemen van de beslissing op bezwaar daarmee dan ook geen rekening houden. De president heeft de gewijzigde planologische inzichten, die aan het intrekkingsbesluit ten grondslag liggen, ten onrechte niet in zijn overwegingen betrokken, aldus appellanten.

2.3.2. Uit de stukken blijkt niet dat [bezwaarde] eerder dan ten overstaan van de president ervan gewag heeft gemaakt voornemens te zijn in de naaste toekomst het bouwplan overeenkomstig de indertijd verleende bouwvergunning te realiseren. Blijkens het verslag van de op 17 april 1999 door de Commissie voor de bezwaarschriften gehouden hoorzitting, heeft [bezwaarde] bij die gelegenheid verklaard dat hij al langere tijd besloten heeft om het bouwplan niet te realiseren, omdat het tuincentrum niet rendabel zou zijn gelet op de vestiging van andere tuincentra in de omgeving. Ook in het bezwaarschrift heeft [bezwaarde] duidelijk gesteld dat hij het niet meer actueel achtte om overeenkomstig die vergunning te bouwen. [bezwaarde] heeft de Afdeling er niet van kunnen overtuigen dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar bij appellanten bekend had moeten, althans kunnen zijn dat hij een huurcontract had afgesloten dat noopte tot de uitvoering van het oorspronkelijke bouwplan. Eerst uit stukken die de dag na de zitting van de president bij de gemeente zijn binnengekomen, op 2 december 1999, is gebleken dat er een huurcontract, gedateerd september 1999, was. Hieruit volgt dat de president ten onrechte heeft overwogen dat appellanten in de beslissing op bezwaar dit aspect nader hadden moeten onderzoeken en bij de motivering van dat besluit daaraan aandacht hadden moeten besteden.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.1. Appellanten hebben aan de intrekking ten grondslag gelegd dat de huidige inzichten zodanig zijn gewijzigd dat het bouwen van het tuincentrum ter plaatse zowel vanuit planologisch als vanuit verkeerstechnisch oogpunt als zeer ongewenst wordt ervaren. In het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan is voor het betrokken perceel voorzien in een agrarische bestemming waar geen bebouwing is toegestaan.

2.4.2. Gewijzigde planologische inzichten vormen naar het oordeel van de Afdeling een redelijk motief om tot intrekking van de bouwvergunning over te gaan. Gezien voorts het lange tijdsverloop sedert de vergunningverlening, alsmede in aanmerking genomen dat er ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen enkele aanwijzing bestond dat [bezwaarde] alsnog volgens de vergunning uit 1987 zou willen bouwen, is er geen grond om te oordelen dat appellanten in dit geval bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van hun bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning gebruik hebben kunnen maken.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 3 december 1999, 9911484 WW44 V;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2000

97.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,