Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903132/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199903132/1.

Datum uitspraak: 4 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurocommerce Robex Groep B.V., gevestigd te Deventer,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 28 september 1999 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Den Haag.

1 Procesverloop

Bij besluit van 21,5 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: burgemeester en wethouders) appellante onder het stellen van voorschriften vergunning verleend voor het kappen van zes populieren en een iep op de locatie Binckhorstlaan hoek Maanweg te Den Haag.

Bij besluit van 23 maart 1999 hebben zij het door appellante daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Dit besluit en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 september 1999, verzonden op 30 september 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 november 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 december 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 april 2000 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P.F. Bijleveld, ambtenaar bij de Dienst Stadsbeheer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bomenverordening 1995 van de gemeente Den Haag (hierna: de Bomenverordening), voor zover thans van belang, is het verboden een houtopstand zonder vergunning van burgemeester en wethouders te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van natuur- en milieuwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, waarden van stadsschoon en waarden van recreatie en leefbaarheid.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen aan een vergunning in het belang van de bescherming en het behoud van houtopstanden voorschriften worden verbonden.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan tot die voorschriften behoren dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de daarbij te geven aanwijzingen wordt herbeplant.

Ingevolge het vierde lid wordt, indien uitvoering van een plicht tot herbeplanting niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand, aan de vergunning het voorschrift verbonden dat de houtopstand niet mag worden geveld, alvorens; een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.

2.2. Het door de rechtbank ongegrond bevonden beroep was gericht tegen het in bezwaar gehandhaafde voorschrift dat de houtopstand niet mag worden geveld, alvorens een bedrag ad f 36.957,00 in het bomenfonds is gestort.

2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders dat voorschrift ten onrechte hebben gebaseerd op de artikelen 4 en 5 van de Bomenverordening in plaats van artikel 9. Voorts heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat onvoldoende is gemotiveerd, waarom dit voorschrift in dat geval aan de vergunning moest worden verbonden, dat ten onrechte geen onderzoek naar de mogelijkheid tot herbeplanting heeft plaatsgevonden, dat het bedrag in het voorschrift niet overeenkomt met de herplantwaarde van de bomen en dat dit bedrag reeds was verdisconteerd in de koopprijs van de grond. Ten slotte heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat artikel 219, eerste lid, van de Gemeentewet is geschonden, nu hier een verkapte belastingheffing plaatsvindt.

2.4. Artikel 9 van de Bomenverordening volgt op de artikelen 4 en 5. De in artikel 9 voorkomende zinsnede "het belang van de bescherming en het behoud van houtopstanden" moet worden gelezen in het licht van de bepaling van artikel 5, tweede lid. Als een van de daar vermelde belangen in het geding is, kunnen burgemeester en wethouders derhalve aan de vergunning het voorschrift van artikel 9, vierde lid, verbinden. Dat zij die bepaling niet in de vergunning hebben vermeld, heeft de rechtbank er niet toe hoeven leiden het bestreden besluit te vernietigen.

2.5. De rechtbank heeft voorts in het licht van voormelde bepalingen terecht overwogen dat, hoewel de motivering van de kapvergunning met betrekking tot de belangen, vermeld in artikel 5, tweede lid, niet concreet is toegespitst op (Ie bomen ter plaatse, dit niet meebrengt dat het opleggen van het voorschriftonvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

2.6. Nu niet is betwist dat herbeplanting op het perceel van appellante niet mogelijk is en dat appellante zelf in de nabijheid van het perceel geen herbeplanting zou kunnen doen plaatsvinden, bestaat geen grond om te oordelen dat burgemeester en wethouders ten onrechte hebben nagelaten nader onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden tot herbeplanting. Uit de boomwaardebepaling door de geraadpleegde taxateur blijkt voorts dat de toestand van de te kappen bomen, hoewel bodemsanering moest plaatsvinden, op het moment van de taxatie goed was. Voor het oordeel dat dit rapport onjuist is of zo onvolledig, dan wel zo onzorgvuldig tot stand gekomen, dat burgemeester en wethouders hierop bij de bepaling van het bedrag dat in het bomenfonds moest worden gestort niet hebben mogen afgaan, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. In de omstandigheid dat de overeenkomst tussen appellante en de gemeente met betrekking tot het bouwrijp maken van de grond, naar appellante stelt, niet is nageleefd, heeft zij evenmin aanleiding hoeven zien om het besluit onjuist te achten.

2.7. Ten slotte heeft de rechtbank terecht overwogen dat, nu het te betalen bedrag moet worden aangewend voor herbeplanting in de onmiddellijke orngeving van de gevelde houtopstand, het verbinden van de onderhavige betalingsverplichting geen verkapte belastingheffing is. Dat in de onmiddellijke omgeving wordt herbeplant, is door appellante overigens niet betwist.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. Wagner, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. M.F. Wagner

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2000

198-295.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,