Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA8129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2000
Datum publicatie
15-03-2002
Zaaknummer
200000394/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen concreet zicht op legalisering; enkele legaliseringswens van B&W onvoldoende, nu niet vaststaat dat het bestemmingsplan de eindstreep haalt.

Weigering om handhavend op te treden tegen gebruik van naast de woning van appellant gelegen pand als shoarma-grillroom, omdat het gebruik past in de centrumfunctie en daarom zal worden gelegaliseerd.

Indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. Geoordeeld moet worden dat zodanig zicht op legalisering ten tijde van het nemen van het besluit van 29-07-1997 niet bestond en ook thans nog niet bestaat. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan biedt geen legaliseringsmogelijkheid. Voor het betrokken gebied gold geen voorbereidingsbesluit.

Evenmin was daarvoor een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Reeds daarom bood de enkele legaliseringswens van B&W geen concreet zicht op legalisering. Het voorontwerp van het bestemmingsplan “Woonkernen Onderbanken" kon dit zicht evenmin bieden, reeds omdat dit uitsluitend een ambtelijke voorbereiding van een bestemmingsplan betreft die eerst in 1998, na het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit, gereed is gekomen. Daarbij zij nog daargelaten de vraag of het bestemmingsplan “Woonkernen Onderbanken", zoals het op 22-06-2000 door de raad der gemeente Onderbanken is vastgesteld - en waarin aan het betrokken perceel de bestemming "detailhandel" (waaronder horeca niet is begrepen) is toegekend, met een mogelijkheid tot het verlenen van "vrijstelling ten behoeve van functieomzetting" - de eindstreep haalt.

Het besluit van B&W van 29-07-1997 berust niet op een deugdelijke motivering om van handhavend optreden af te zien.

Burgemeester en wethouders van Onderbanken, verweerder

mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2001-7134, 10
Module Ruimtelijke ordening 2000/5470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200000394/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 16 november 1999 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Onderbanken.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 1997 hebben burgemeester en wethouders van Onderbanken (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik van het naast zijn woning gelegen pand op het perceel […]plein 9 te B als shoarma-grillroom, genaamd "Grillroom […]" (hierna: de grilroom), wegens strijd het met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Bij besluit van 29 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van commissie bezwaar- en beroepschriften van 10 juli 1997, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 november 1999, verzonden op 15 december 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 maart 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2000. Verschenen zijn appellant in persoon, bijgestaan door J.Th.J. Veitmans, burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. W.H.J.M. Smeets en L.H. Stevens, beiden ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Burgemeester en wethouders wensen niet over te gaan tot de door appellant verlangde bewerkstelliging van de beëindiging van het gebruik van het betrokken pand als grillroom, omdat dit gebruik past in de centrumfunctie van het […]plein en daarom zal worden gelegaliseerd.

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders om die reden in dit geval van handhavend optreden mochten afzien.

2.2. Vaststaat dat het gebruik van het pand als grillroom in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Schinveld". Daarin het betrokken perceel de bestemming "bebouwingsklasse WT" toegekend - hetgeen inhoudt woondoeleinden en/of detailhandel - en niet de bestemming "bebouwingsklasse HT" - hetgeen inhoudt woondoeleinden en/of bedrijfsuitoefening in de horecasector - die aan diverse percelen in de omgeving is toegekend. In artikel 26 van de planvoorschriften is bepaald dat gebruik in strijd met de bestemming verboden is.

Burgemeester en wethouders konden derhalve, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, tegen dit gebruik handhavend optreden.

2.3. Indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien.

Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

Geoordeeld moet worden dat zodanig zicht op legalisering ten tijde van het nemen van het besluit van 29 juli 1997 niet bestond en ook thans nog niet bestaat. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan biedt geen legaliseringsmogelijkheid. Voor het betrokken gebied gold geen voorbereidingsbesluit. Evenmin was daarvoor een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Reeds daarom bood de enkele legaliseringswens van burgemeester en wethouders geen concreet zicht op legalisering. Het voorontwerp van het bestemmingsplan 'Woonkernen Onderbanken" kon, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dit zicht evenmin bieden, reeds omdat dit uitsluitend een ambtelijke voorbereiding van een bestemmingsplan betreft die eerst in 1998, na het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit, gereed is gekomen. Daarbij zij nog daargelaten de vraag of het bestemmingsplan 'Woonkernen Onderbanken", zoals het op 22 juni 2000 door de raad der gemeente Onderbanken is vastgesteld - en waarin aan het betrokken perceel de bestemming "detailhandel" (waaronder horeca niet is begrepen) is toegekend, met een mogelijkheid tot het verlenen van "vrijstelling ten behoeve van functieomzetting" - de eindstreep haalt.

Het vorenstaande betekent dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het besluit van burgemeester en wethouders van 29 juli 1997 niet berust op een deugdelijke motivering om van handhavend optreden af te zien.

2.4. Het bij de rechtbank tegen het besluit van 29 juli 1997 ingestelde beroep moet alsnog gegrond worden verklaard. Dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Burgemeester en wethouders zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Daartoe zal een termijn worden gesteld.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

2.6. Er bestaat aanleiding burgemeester en wethouders te veroordelen in de proceskosten van appellant.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 16 november 1999, AWB 97/2133;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Onderbanken van 29 juli 1997;

V. draagt burgemeester en wethouders van Onderbanken op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit aan appellant toe te zenden;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Onderbanken in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.420,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Onderbanken te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat gemeente Onderbanken aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 550,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Groverman, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groverman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2000

110.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,