Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Positieve uitlating voormalige burgemeester onvoldoende om binding B&W aan te nemen tot verlening van 19 WRO-vrijstelling.

Persoonsgebonden gedoogverklaring en weigering vrijstelling (19 WRO) betreffende de bewoning van een hooiberg bij een voormalige agrarische bedrijfswoning.

Beroep op vertrouwensbeginsel inzake geweigerde vrijstelling faalt, reeds omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toepassing van de anticipatieprocedure. Voorts kan appellant aan de contacten met de voormalige burgemeester niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen, dat B&W als rechtsopvolgers van B&W van Hei- en Boeicop zouden besluiten hun planologische medewerking aan het bouwplan te verlenen. Hoewel de overgelegde verklaring van de voormalige burgemeester aannemelijk maakt dat deze zich in positieve zin heeft uitgelaten over de mogelijkheid de hooiberg om te bouwen tot woning en deze als zodanig te gaan gebruiken, is dit niet voldoende om binding van B&W tot verlenen van vrijstelling aan te nemen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat appellant geacht moet worden ervan op de hoogte te zijn, dat de besluitvorming ter zake van een verzoek om vrijstelling een kwestie van collegiale besluitvorming is. Bovendien gaat daaraan vooraf een bedenkingenprocedure met de bijbehorende belangenafweging en is de medewerking van GS vereist.

Burgemeester en wethouders van Vianen.

Mr. J.H. Grosheide

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2001-7139, 4 met annotatie van C.P.J. Goorden
Module Ruimtelijke ordening 2000/335

Uitspraak

Raad van State

199903017/1.

Datum uitspraak: 18 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 24 september 1999

in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Vianen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 1997 hebben burgemeester en wethouders van Vianen (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te verlenen en voorts appellant medegedeeld dat de strijdige bewoning van de voormalige hooiberg (hierna: de hooiberg) op het perceel […]weg 2/2a te B wordt gedoogd totdat zowel appellant als zijn echtgenote de hooiberg hebben verlaten. Hierna mag de hooiberg niet meer worden bewoond.

Bij besluit van 12 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 23 april 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 september 1999, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 november 1999, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 december 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L. Kretzschmar, advocaat te Utrecht, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. T. van Wijngaarden en F. van de Pas, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De weigering vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO en de persoonsgebonden gedoogverklaring betreffen een hooiberg bij een voormalige agrarische bedrijfswoning. Op 30 januari 1980 hebben burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Hei- en Boeicop vergunning verleend voor de verbouwing van de hooiberg tot werkplaats/stal/hooizolder. In afwijking van deze vergunning is de hooiberg in 1983 verbouwd tot burgerwoning. Burgemeester en wethouders hebben dit medio 1990 geconstateerd.

2.2. Appellant keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders in redelijkheid konden weigeren toepassing te geven aan de vrijstellingsprocedure van artikel 19 WRO.

In dit verband beroept hij zich op toezeggingen die hem door de voormalige burgemeester van Hei- en Boeicop, de heer G. Hokken, zijn gedaan. Deze was van de bouwplannen volledig op de hoogte en heeft te kennen gegeven dat daarvan geen probleem zou worden gemaakt. Ter staving van deze toezegging heeft appellant bij brief van 25 mei 2000 een brief van G. Hokken overgelegd, gedateerd 12 mei 2000, met de volgende inhoud:

. In de periode dat ik burgemeester was van Hei- en Boeicop, ben ik een aantal malen benaderd door de heer A met de mededeling dat hij voornemens was om een op dat moment als bekende hooiberg bebouwing, gesitueerd achter de woonhuizen aan de […]weg 2-4 te B, om te bouwen tot een woning en deze te gaan gebruiken voor definitieve bewoning.

Op dit verzoek heb ik, volgens mijn herinnering, gereageerd met de mededeling dat deze wijziging van het gebruik van in het verleden hooiberg naar gebruik voor woning niet veel zou wijzigen. In de periode dat ik burgemeester was, van 1974 tot 1-1-86, is de z.g. hooiberg vaak gebruikt voor bewoning. Ik geloof zelfs dat de z.g. hooiberg in mijn periode "nooit" als zodanig is gebruikt!

Aan mijn gedane mededeling aan de heer A zijn geen beperkingen verbonden zodat men er m.i. vanuit mocht gaan dat de thans bestaande situatie na zoveel jaren zou zijn gelegaliseerd.".

2.2.1. Dit betoog faalt, reeds omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toepassing van de anticipatieprocedure. Voorts kan niet worden staande gehouden dat appellant aan de contacten met de voormalige burgemeester het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen, dat burgemeester en wethouders als rechtsopvolgers van burgemeester en wethouders van Hei- en Boeicop zouden besluiten hun planologische medewerking aan het bouwplan te verlenen. Hoewel de hiervoor weergegeven verklaring aannemelijk maakt dat de voormalige burgemeester van Hei- en Boeicop zich in positieve zin heeft uitgelaten over de mogelijkheid de hooiberg om te bouwen tot woning en deze als zodanig te gaan gebruiken, is dit niet voldoende om binding van burgemeester en wethouders tot het verlenen van vrijstelling aan te nemen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat appellant geacht moet worden ervan op de hoogte te zijn, dat de besluitvorming ter zake van een verzoek om vrijstelling een kwestie van collegiale besluitvorming is. Bovendien gaat daaraan vooraf een bedenkingenprocedure met de bijbehorende belangenafweging en is de medewerking van gedeputeerde staten vereist.

Daarnaast betoogt appellant evenzeer tevergeefs dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd, nu ten behoeve van het perceel [..]kade 15 te B wel toepassing is gegeven aan de anticipatieprocedure. Gebleken is dat burgemeester en wethouders na afgifte van een verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten van Zuid-Holland in dat geval hun medewerking hebben verleend ten aanzien van het veranderen en vergroten van een voormalige agrarische bedrijfswoning met bijgebouwen, terwijl het in het onderhavige geval om nieuwbouw van een burgerwoning dan wel de verbouwing van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw tot woning gaat. Van een op één lijn te stellen geval is dan ook geen sprake.

2.3. Appellant betoogt voorts dat de in geding zijnde gedoogverklaring ten onrechte de voorwaarde bevat dat deze persoonsgebonden is.

2.3.1. Voor zover appellant ook in dit verband een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, is hij er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de toezegging van de burgemeester in zoverre een ongeclausuleerd karakter zou hebben. De Afdeling ziet voorts geen aanknopingspunt voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid deze voorwaarde aan de gedoogverklaring konden verbinden.

Tegenover de persoonlijke belangen van appellant staan immers de belangen bij de handhaving van het bestemmingsplan. Dat plan beoogt burgerwoningen in het buitengebied te weren. Daarmee valt de verbouwing van een agrarisch bedrijfsgebouw tot woning niet te rijmen. Met de gestelde voorwaarde is aan de belangen van appellant voldoende tegemoet gekomen. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. Grosheide, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Grosheide w.g. Groeneweg

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2000

32-304.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,