Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199902430/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/483
M en R 2000, 239K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad vanState

199902430/1

Datum uitspraak: 26 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

burgemeester en wethouders van Gouda, appellanten, en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

1 Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 1998 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland namens verweerder de door de gemeente Gouda verschuldigde bijdrage in de bodemsaneringskosten voor de periode 1998 tot en met 2001 vastgesteld op f 4,00 per inwoner, per jaar.

Bij besluit van 5 augustus 1999 heeft verweerder het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 september 1999, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 1999, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 december 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 april 2000 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door R.D. Weststrate en P.J. Jacobs, ambtenaren der gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.P. Koorstra en A. Segijn, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen. Tevens zijn gehoord Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door J. Eijsackers, ambtenaar der provincie.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 76, vierde lid, van de Wet bodembescherming bekostigt de provincie uit de bijdrage per geval van verontreiniging negentig procent van de kosten van nader onderzoek en van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging als bedoeld in het eerste lid, voorzover die kosten niet overeenkomstig artikel 79, eerste lid, of artikel 81 a, tweede lid, ten laste van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk de betrokken waterkwaliteitsbeheerder komen.

Ingevolge artikel 79, eerste lid, van de Wet bodembescherming draagt de gemeente op wier grondgebied zich de oorzaak voordoet van de verontreiniging in een geval waarin nader onderzoek zal plaatsvinden of van een geval van ernstige verontreiniging met betrekking tot dat geval:

a. de in artikel 76, vierde lid, bedoelde kosten per geval, tot een bedrag van:

1° . voor gemeenten die volgens de bevolkingscijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek op 1 januari van het jaar waarin een bedrage verschuldigd wordt, 20 000 of meer inwoners hebben: f 100.000,00;

2°. voor de overige gemeenten: het bedrag dat wordt verkregen door het aantal inwoners dat de betrokken gemeente op 1 januari van het jaar waarin de bijdrage verschuldigd wordt, volgens de bevolkingscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft, te vermenigvuldigen met f 5,00 of

b. indien de in artikel 76, vierde lid, bedoelde kosten per geval meer bedragen dan het met toepassing van onderdeel a bepaalde bedrag: die kosten tot dat bedrag, vermeerderd met zeven en een half procent van het overblijvende gedeelte van die kosten.

Ingevolge artikel 79, vierde lid, van de Wet bodembescherming kan de Minister indien een gemeente verkeert of door toepassing van het eerste lid zou komen te verkeren in een geval als bedoeld in artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën na overleg met gedeputeerde staten van de betrokken provincie op verzoek van burgemeester en wethouders de bijdrage op een lager bedrag vaststellen, dan wel bepalen dat de gemeente geen bijdrage verschuldigd is.

2.2. Bij brief van 17 november 1997 hebben appellanten verweerder verzocht te bepalen dat door de gemeente Gouda voor de jaren 1998-2002 geen bijdrage in de kosten van bodemsanering verschuldigd is. Bij besluit van 12 maart 1998 hebben gedeputeerde staten - namens verweerder - evenwel de door de gemeente Gouda verschuldigde bijdrage vastgesteld op f 4,00 per inwoner, per jaar. Dusdoende hebben zij de grondslag van de aanvraag verlaten. Bij het nemen van de beslissing op bezwaar is dit door verweerder niet onderkend. Dit besluit komt dan ook reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

2.3. De Afdeling stelt vast, dat verweerder de bevoegdheid te beslissen op verzoeken op grond van artikel 79, vierde lid, van de Wet bodembescherming gedeeltelijk heeft gemandateerd aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 14 mei 1998 inzake E02.97.0162 (AB 1998/287) wordt met een dergelijke mandaatsverlening het stelsel van politieke verantwoordelijkheid, zoals dat is gekend binnen het Nederlandse staatsbestel en tot uitdrukking komt in de - onder meer - in de Grondwet verankerde gelijkwaardige positie van centrale en decentrale ambtsdragers, doorbroken. Hieraan doet niet af dat artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht het verlenen van mandaat aan een niet-ondergeschikte in beginsel mogelijk maakt. Mandaatverlening tussen organen van verschillende bestuurslagen kan derhalve slechts bij uitzondering worden geacht te zijn toegelaten. Niet valt in te zien dat in het kader van artikel 79, vierde lid, van de Wet bodembescherming een zodanige uitzondering zou moeten worden aangenomen. Verweerder heeft ook dit niet onderkend. De beslissing op bezwaar komt derhalve ook hierom voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet in het onder 2.2. overwogene tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het namens verweerder door gedeputeerde staten genomen besluit van 12 maart 1998 te herroepen.

2.5. Op het verzoek van appellanten van 17 november 1997 om te bepalen dat door de gemeente Gouda voor de jaren 1998-2002 geen bijdrage in de kosten van bodemsanering verschuldigd is, is nog geen beslissing genomen. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, in verbinding met het vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op dit verzoek neemt.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 augustus 1999, DBO/99192566;

III. herroept het door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer genomen besluit van 12 maart 1998, RGG/316592B;

IV. draagt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een besluit te nemen op het verzoek van appellanten van 20 november 1997;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 450,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C.R. Schut, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schut

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2000

66-284. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,