Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903601/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met informatie die na het indienen van een aanvraag wordt verstrekt, kan rekening worden gehouden indien daarmee wordt aangetoond dat gegevens in de aanvraag kennelijk onjuist zijn of dat deze door het bestuursorgaan zijn misverstaan.

Intrekking verleende subsidie op de grond dat in strijd met art. 9.c van de Regeling, vóór ontvangst van de aanvraag op 31-10-1996 verplichtingen zijn aangegaan.

Betrokkene heeft aangevoerd dat de daadwerkelijke verplichting eerst is aangegaan op 01-11-1996. Daartoe beroept zij zich op een eerst in het kader van de bezwaarprocedure overgelegde brief van 01-11-1996.

De bestuurscommissie heeft betoogd dat bij de beoordeling of verplichtingen zijn aangegaan vóór de inzending van de aanvraag is uitgegaan van de gegevens die bij de vaststellingsaanvraag zijn verstrekt. Aan stukken of informatie die nadien zijn verstrekt, wordt voorbijgegaan als de bij de vaststellingsaanvraag verstrekte informatie eenduidig is en niet op een kennelijke vergissing berust. Aangezien dat i.c. het geval was, is van de verstrekte informatie uitgegaan.

Zoals eerder overwogen kan met informatie die na het indienen van een aanvraag wordt verstrekt rekening worden gehouden indien daarmee wordt aangetoond dat gegevens in de aanvraag kennelijk onjuist zijn of dat deze door het bestuursorgaan zijn misverstaan. Dit uitgangspunt geldt eveneens bij de vaststellingsaanvraag en de daarop genomen beslissing. De bestuurscommissie heeft uit de gegevens die bij het verzoek om vaststelling van subsidie zijn verstrekt kunnen opmaken dat betrokkene vóór de inzending van de aanvraag verplichtingen is aangegaan als bedoeld in art. 9.c van de Regeling. Dat die gegevens kennelijk onjuist zijn of misverstaan, heeft de bestuurscommissie op grond van het betoog van betrokkene en de brief van 01-11-1996, waarin dit betoog wordt bevestigd, niet aangetoond dan wel aannemelijk hoeven achten. Op grond daarvan heeft de bestuurscommissie tevens terecht geconstateerd dat betrokkene onjuiste, althans onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag zou hebben geleid.

De bestuurscommissie kon derhalve in redelijkheid besluiten tot intrekking van de subsidiebeschikking.

De bestuurscommissie Economische Zaken van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland te Leeuwarden, appellante.

Mrs. J.A.E. van der Does, B. van Wagtendonk, F.P. Zwart

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/321 met annotatie van EvdL
Ars Aequi AA20020031 met annotatie van L.J.A. Damen
AB 2001, 407

Uitspraak

Raad van State

199903601/1.

Datum uitspraak:26 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de bestuurscommissie Economische Zaken van het

Samenwerkingsverband Noord-Nederland, gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 9 november 1999 in het geding tussen:

A Beheer B.V. te Groningen

en

appellante.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 1998 heeft appellante het besluit van 24 februari 1997 tot verlening van subsidie aan A Beheer B.V. (hierna:A) op grond van de Regeling bedrijfsgerichte stimulering Noord-Nederland 1995 (hierna: de Regeling) ingetrokken.

Bij besluit van 8 december 1998 heeft appellante het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 november 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 maart 2000 heeft A een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door P. van der Burgh, ambtenaar van de provincie Groningen en adviseur van appellante, en A, vertegenwoordigd door mr T.J. van der Reijt, advocaat te Groningen, en Z, werkzaam bij A, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder c, van de Regeling, wordt subsidie geweigerd indien en voorzover ter zake van de betaling van subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan vóór de inzending van de aanvraag.

2.2. Ingevolge artikel 14, aanhef en onder c, van de Regeling, kan, zolang de subsidie niet overeenkomstig artikel 18 van deze regeling onherroepelijk is vastgesteld, het verleningsbesluit worden ingetrokken, indien de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag zou hebben geleid.

2.3. Vast staat dat de aanvraag op 31 oktober 1996 is ontvangen. Daarbij is een offerte gevoegd met als datum 30 oktober 1996, die alleen door de externe adviseur is ondertekend. A heeft bij haar verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie een offerte van de externe adviseur gevoegd, gedateerd 30 oktober 1996, die zowel namens A als door haar externe adviseur is ondertekend. Appellante heeft hieruit afgeleid dat in strijd met het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder c, van de Regeling, reeds vóór 31 oktober 1996 verplichtingen zijn aangegaan en heeft op grond daarvan het verleningsbesluit ingetrokken.

2.4. A heeft aangevoerd dat de daadwerkelijke verplichting eerst is aangegaan op 1 november 1996. Daartoe beroept zij zich op een - eerst in het kader van de bezwaarprocedure overgelegde - aan de externe adviseur gerichte brief van 1 november 1996, waarbij de door haar ondertekende offerte van 30 oktober 1996 is geretourneerd.

De rechtbank heeft dit niet onaannemelijk geacht.

2.5. Appellante heeft betoogd dat bij de beoordeling of verplichtingen zijn aangegaan vóór de inzending van de aanvraag is uitgegaan van de gegevens die bij de vaststellingsaanvraag zijn verstrekt. Aan stukken of informatie die nadien zijn verstrekt, wordt voorbijgegaan als de bij de vaststellingsaanvraag verstrekte informatie eenduidig is en niet op een kennelijke vergissing berust. Aangezien de door A bij de aanvraag om definitieve vaststelling van de subsidie verschafte informatie eenduidig was en niet op een kennelijke vergissing berustte, is bij het nemen van de beslissing op bezwaar dan ook van deze informatie uitgegaan, aldus appellante.

Ter zitting heeft appellante nog gesteld dat de brief van 1 november 1996 wel in de beoordeling is betrokken, maar dat hieraan, mede gezien het uitgangspunt dat in beginsel wordt uitgegaan van de in eerste instantie verstrekte gegevens, geen doorslaggevende betekenis is gehecht.

2.6. De Afdeling stelt voorop dat - in aansluiting op hetgeen zij in haar uitspraak van 4 november 1999, inzake no. H01.99.0102 (bijgevoegd) heeft overwogen - met informatie die na het indienen van een aanvraag wordt verstrekt rekening kan worden gehouden indien daarmee wordt aangetoond dat gegevens in de aanvraag kennelijk onjuist zijn of dat deze door het bestuursorgaan zijn misverstaan. Dit uitgangspunt geldt eveneens bij de vaststellingsaanvraag en de daarop genomen beslissing. Naar haar oordeel heeft appellante uit de gegevens die bij het verzoek om vaststelling van de subsidie zijn verstrekt kunnen opmaken dat A vóór de inzending van de aanvraag verplichtingen is aangegaan als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder c, van de Regeling. Dat die gegevens kennelijk onjuist zijn of zijn misverstaan, heeft appellante naar het oordeel van de Afdeling op grond van het betoog van A en de brief van 1 november 1996, waarin dit betoog wordt bevestigd, niet aangetoond, dan wel aannemelijk hoeven achten. Op grond daarvan heeft appellante tevens terecht geconstateerd dat A, door bij de aanvraag om verlening van subsidie een uitsluitend door de externe adviseur ondertekende offerte over te leggen - waarmee de indruk kon worden gewekt dat op 30 oktober 1996 nog geen verplichting was aangegaan - onjuiste, althans onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag zou hebben geleid. Appellante kon derhalve in redelijkheid besluiten tot intrekking van de subsidiebeschikking.

2.7. Nu de rechtbank tot een ander oordeel is gekomen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 9 november 1999, AWB 99163 BELEI V13;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Zijlstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2000

128-240. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,