Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199900807/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2000/3192

Uitspraak

Raad van State

199900807/1.

Datum uitspraak: I5 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonend te [woonplaats], appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 19 mei 1999 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Diepenheim.

2 Procesverloop

Bij brief van 16 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders van Diepenheim (hierna: burgemeester en wethouders) appellanten medegedeeld dat de permanente bewoning van de recreatiewoning, kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..] , nummer […], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats], wordt gedoogd en dat dit gedogen niet geldt voor de rechtsopvolgers van appellanten.

Bij besluit van 14 oktober 1997 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 mei 1999, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2000, waar appellanten in persoon, bijgestaan door J.B. Alta, gemachtigde, vergezeld door C. Van der Zweep en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Amsterdam, vergezeld door M.G.B. Damveld en A.J. Kranenberg, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het in de brief van 16 juli 1997 vervatte besluit, inhoudende een persoonsgebonden gedoogverklaring, heeft betrekking op de door appellanten sinds 25 juli 1994 permanent bewoonde recreatiewoning.

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" rust op de gronden waarop de onderhavige recreatiewoning is gelegen, de bestemming "terrein voor verblijfsrecreatie". Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "terrein voor verblijfsrecreatie" bestemd voor het recreatief verblijf in zomerhuizen. Ingevolge het tweede lid, onder 1, van hetzelfde artikel is het verboden de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in de bestemming bepaalde. Ingevolge het bepaalde onder 2 van dit artikellid, voor zover hier van belang, wordt onder verboden gebruik in ieder geval verstaan: een gebruik van zomerhuizen ten behoeve van permanente bewoning.

2.3. Niet in geschil is dat het gebruik van de recreatiewoning in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts moet worden geoordeeld dat appellanten niet een beroep toekomt op het in het plan neergelegde overgangsrecht inzake het gebruik nu de brief van 31 augustus 1995 als rechtsgeldige wraking van het ten tijde daarvan evenzeer ongeoorloofde gebruik van de woning kan worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot handhavend optreden.

2.4. Gebleken is dat zich in de gemeente Diepenheim een praktijk heeft ontwikkeld waarbij recreatiewoningen permanent worden bewoond. Hoewel deze praktijk te allen tijde in strijd is geweest met het planologisch regime, is door burgemeester en wethouders daartegen lange tijd niet daadwerkelijk opgetreden. Om deze illegale bewoning terug te dringen hebben burgemeester en wethouders bij voormelde brief van 31 augustus 1995 aan alle - bij de gemeente bekende - permanente bewoners van recreatiewoningen, waaronder appellanten, kenbaar gemaakt dat met ingang van genoemde datum de recreatieve bestemming van de recreatiebungalows strikt zal worden gehandhaafd. Daarbij is een zogenoemde uitsterfregeling vastgesteld, inhoudende dat tegen het dan bestaande onrechtmatig gebruik niet zal worden opgetreden tot op het moment dat de huidige permanente bewoners het strijdig gebruik beëindigen. Daar appellanten aan de criteria voldeden hebben burgemeester en wethouders hen bij brief van 16 juli 1997 een persoonsgebonden gedoogverklaring verstrekt.

2.5. Appellanten betogen dat de verstrekte gedoogverklaring te beperkt is. Volgens hen moet de gewijzigde status van hun recreatiewoning blijvend worden gerespecteerd en in het bestemmingsplan worden vastgelegd, zoals ook in andere gemeenten mogelijk is gebleken.

2.6. Vast staat dat in het in 1996 in werking getreden bestemmingsplan de recreatieve bestemming ter plaatse door de planwetgever bewust is gehandhaafd. Legalisering van de met het bestemmingsplan strijdige situatie moet gelet hierop uitgesloten worden geacht. Hetgeen appellanten voor ogen staat, komt dan ook in feite neer op het voeren van een algemeen gedoogbeleid.

2.7. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld H01.98.0114, gepubliceerd in AB 19991340) zou een algemeen gedoogbeleid wellicht aanvaardbaar kunnen worden geacht in het kader van een algehele legaliseringsprocedure indien daarmee wordt vooruitgelopen op een in gang gezette herziening van het desbetreffende bestemmingsplan. Nu daarvan in dit geval geen sprake is, verdraagt een algemeen gedoogbeleid, als door appellanten voorgestaan, zich niet met het wettelijk stelsel van ruimtelijke ordening. Immers, aldus zouden, buiten de Wet op de Ruimtelijke Ordening om, planologische maatregelen worden getroffen door burgemeester en wethouders, die slechts zijn belast met de handhaving van het bestemmingsplan, en niet door de gemeenteraad, onder gehoudenheid van goedkeuring van gedeputeerde staten. Reeds hierom kan het betoog van appellanten dat de gedoogverklaring te beperkt is, geen doel treffen. Aan hetgeen appellanten overigens in dit kader hebben aangevoerd, gaat de Afdeling dan ook voorbij.

2.8. Met een beroep op het vertrouwensbeginsel hebben appellanten voorts betoogd dat de schade die zij lijden als gevolg van de verstrekte gedoogverklaring, in redelijkheid niet voor hun rekening kan komen. Dit betoog faalt evenzeer. Dat door burgemeester en wethouders bij appellanten het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat permanente bewoning ongeclausuleerd door hen zou worden toegestaan, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is gebleken dat er van de zijde van burgemeester en wethouders toezeggingen zijn gedaan in die zin dat permanente bewoning door rechtsopvolgers zou worden toegestaan. Omdat appellanten de permanente bewoning van de recreatiewoning ongehinderd kunnen voortzetten, zijn burgemeester en wethouders hen in verregaande mate tegemoet gekomen. Daarmee is genoegzaam rekening gehouden met het feit dat door burgemeester en wethouders lange tijd niet daadwerkelijk is opgetreden. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders appellanten nog op andere wijze tegemoet hadden dienen te komen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.H. Grosheide en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C.R. Schut, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Schut

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 september. 2000

60-96-304.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,