Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903663/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199903663/1

Datum uitspraak: 12 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 3 november 1999 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1 Procesverloop

Bij besluit van 27 november 1997 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om hem de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst, als bedoeld in artikel 2 van de Wet regelende de uitoefening van de geneeskunst, te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 10 augustus 1998 heeft de Minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb van 2 juli 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 november 1999, verzonden op 4 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 mei 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 mei 2000 heeft de Minister een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.M. van Dam, advocaat te Haarlem, en de Minister, vertegenwoordigd door F. Bogaarts en mr. H.J. Stoop, beiden ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Minister heeft het verzoek van appellant afgewezen, in overeenstemming met het met het oog op dat besluit uitgebrachte advies van de Commissie Buitenlandse geneeskundigen (hierna: de Commissie). De Commissie is van oordeel dat de opleiding tot basisarts van appellant in Turkije, blijkens een advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (hierna: Nuffic), niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding tot basisarts. De Nuffic heeft geconcludeerd dat met de door appellant aan de universiteit van [Turkse plaats] gevolgde medische opleiding van nominaal 6 jaar, naar Nederlandse maatstaven globaal een niveau is bereikt van 4 jaar wetenschappelijke opleiding. Daarbij is de Nuffic ervan uitgegaan dat het aanvangsniveau van de universitaire studie geneeskunde in Turkije gesteld moet worden op het niveau van een einddiploma HAVO. Voorts is de Commissie van oordeel, gelet op de algemene richtlijn van 21 november 1996, dat dit lagere opleidingsniveau niet gecompenseerd kan worden door werkervaring, omdat de werkervaring van appellant is opgedaan vanaf een te laag niveau. Bij de beslissing op het bezwaarschrift heeft de Minister zich tevens op het standpunt gesteld dat aan appellant geen verklaring van vakbekwaamheid, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de - op 1 december 1997 voor het beroep van arts in werking getreden - Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, kan worden verstrekt.

2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister niet onjuist of onredelijk heeft gehandeld door zich te baseren op de adviezen van de Commissie en de Nuffic. Niet kan worden staande gehouden dat aan die adviezen naar wijze van totstandkoming of naar inhoud gebreken kleven, laat staan zodanige gebreken dat de Minister die adviezen niet had mogen overnemen. In de door appellant overgelegde prospectus van een - naar appellant stelt vergelijkbare - opleiding aan een andere universiteit heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Ook hetgeen appellant ten aanzien van de duur van de co-schappen naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Zijn betoog dat de door hem gevolgde vooropleiding wel met een VWO-opleiding is gelijk te stellen, faalt ook. Niet relevant is het door appellant persoonlijk bereikte niveau wat betreft vooropleiding, maar de omstandigheid dat naar het oordeel van de Nuffic de gevolgde medische studie voortbouwt op een vooropleiding op HAVO-niveau en mede daarom geen aan de Nederlandse opleiding gelijkwaardig eindniveau bereikt. Voorts heeft appellant ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat de gevallen waarnaar hij verwijst, waarin de Minister wel een bevoegdheid heeft verleend, gelijk zijn te stellen aan het zijne.

Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2000

91. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,