Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901272/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/298

Uitspraak

Raad van State

199901272/1.

Datum uitspraak: 11 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats], appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 14 juni 1999 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Hengelo.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 28 april 1998 hebben burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: burgemeester en wethouders) een 30 km-zone voor de Rabatstraat en de Topweg en een voorrangssituatie voor fietsers ter hoogte van de aansluitingen van de fietspaden op de Rabatstraat en Topweg ingesteld.

Bij besluit van 3 november 1998 hebben zij het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van commissie voor de bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juni 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 september 1999 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door appellant [appellant], zijn verschenen. Burgemeester en wethouders zijn daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben op 22 juni 1998 bezwaar gemaakt tegen het besluit van burgemeester en wethouders van 28 april 1998 tot het treffen van de verkeersmaatregel. Daarbij zijn zij afgegaan op de vermelding in de publicatie van het besluit in het dagblad Tubantia dat daartegen tot 23 juni 1998 bezwaar kon worden gemaakt.

2.2. De rechtbank heeft, uitgaande van de toezending van het besluit aan belanghebbenden op 8 mei 1998, overwogen dat de bezwaartermijn op 19 juni 1998 eindigde, zodat het op 22 juni 1998 ter secretarie ontvangen bezwaarschrift te laat is ingediend. Voorts heeft zij die termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht.

2.3. Met de publicatie in het dagblad Tubantia op, naar later is gebleken, 8 mei 1998 heeft de voorgeschreven bekendmaking van het besluit plaatsgevonden. Appellanten hoefden er bij hun handelen niet van uit te gaan dat de vermelding daarin dat tot 23 juni 1998 bezwaar kan worden gemaakt, niet juist was. Met name de omstandigheid dat op 8 mei 1998 een afschrift van het besluit aan appellanten was toegezonden, met daarin de vermelding dat tot 9 juni 1998 een bezwaarschrift kan worden ingediend, is daarvoor niet voldoende, nu dit geen voorgeschreven wijze van bekendmaking van het besluit was. Nu appellanten voorts binnen de in de bekendmaking van het besluit vermelde termijn bezwaar hebben gemaakt, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest. Dat betekent dat de rechtbank het bezwaarschrift ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook overigens bestond hiervoor geen grond.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank, opdat zij het geschil inhoudelijk beoordeelt.

2.5. Nu burgemeester en wethouders de juistheid van die uitspraak hebben verdedigd, bestaat aanleiding hen op na te melden wijze te veroordelen in de proceskosten van appellanten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 14 juni 1999;

II. wijst de zaak naar de rechtbank terug-;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Hengelo in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 110,30; het dient door de gemeente Hengelo aan appellanten te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Hengelo aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van f 340,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2000

198-238.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,