Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200000608/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

200000608/1.

Datum uitspraak: 11 september 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Teboza Productions B.V., gevestigd te Heiden,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 29 december 1999 in het geding tussen:

appellante

en

gedeputeerde staten van Limburg.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 1998 hebben gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) geweigerd om toepassing te geven aan de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 4 van de Landschapsbeschermingsverordening Limburg 1996 (hierna: de Verordening).

Bij besluit van 10 november 1998 hebben gedeputeerde staten het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 december 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 mei 2000 hebben gedeputeerde staten een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. H.J.G.M. Verhooren, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft in de gemeente Heiden, aan de rechterzijde van de N 56 2 ter hoogte van km. 11. 700, bij de kruising met de weg genaamd Zandweg, een bord geplaatst met daarop haar naam.

2.2. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het bord enkel dient ter verwijzing naar haar bedrijf en daarom niet wordt bestreken door het reclameverbod, als bedoeld in artikel 1. 1 van de Verordening, faalt. In de door appellante aangevoerde omstandigheden - op het bord worden geen producten aangeprezen, niet wordt verwezen naar bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten, de naam van het bedrijf geniet geen grote bekendheid en het bedrijf is enkele kilometers van het bord verwijderd - heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bord geen reclame-uiting in de zin van voormeld artikel bevat. Daarbij is in aanmerking genomen dat het bord, wat kleurstelling en lettertype betreft, identiek is aan het logo van het bedrijf.

2.3. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat gedeputeerde staten toepassing van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 4 van de Verordening, niet hebben mogen weigeren, faalt eveneens. Ingevolge die bepaling bestaat voor een uitzondering op het in de Verordening neergelegde verbod - afgezien van de in artikel 1.2 van de Verordening opgenomen uitzonderingen daarop, die zich hier niet voordoen alleen aanleiding als toepassing van de Verordening naar het oordeel van gedeputeerde staten tot kennelijke onbillijkheid leidt. Gelet op de toelichting kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan artikel 4 toepassing worden gegeven. Niet kan worden staande gehouden dat gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat geen sprake is van een dergelijk geval. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door appellante naar voren gebrachte gronden hun daarvoor geen aanleiding hebben hoeven geven. Van vergelijkbare gevallen, waarin wel toepassing is gegeven aan artikel 4, voornoemd, is niet gebleken.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2000

91. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,