Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200000493/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2001/157

Uitspraak

Raad van State

200000493/1.

Datum uitspraak: 4 september 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 9 december 1999 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Loppersum.

1 Procesverloop

Bij brief van 8 december 1997 hebben burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: burgemeester en wethouders) een verzoek van appellant om toekenning van schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 14 april 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften van 17 maart 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 december 1999, verzonden op 24 december 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 februari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 april 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door J.R. Renkema, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H. Vos, juridisch beleidsmedewerker van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat appellant in 1995 voornemens was het pand, waarin hij thans woont en een [A-]bedrijf uitoefent, te verkopen aan het echtpaar [kopers], dat hierin een [B-]bedrijf wilde vestigen. De burgemeester heeft in een gesprek met appellant op 29 november 1995 medegedeeld dat uitoefening van een [B-]bedrijf niet mogelijk is, omdat op het pand van appellant een woonbestemming rust. Hoewel het gebruik dat appellant van het pand maakt, onder het overgangsrecht valt, is, aldus de burgemeester, uitgesloten dat dit ook geldt voor een [B-]bedrijf. Een verzoek om wijziging van het bestemmingsplan zal daarom, zo stelt hij, worden afgewezen. Van dit gesprek is een kort verslag gemaakt.

2.2. Burgemeester en wethouders hebben voorts bij brief van 19 januari 1996, gericht aan de makelaar van het echtpaar[kopers], het volgende medegedeeld: In antwoord op uw brief van 30 november 1995 delen wij u het volgende mede. Het perceel [adres] te [woonplaats] heeft op grond van het bestemmingsplan "[woonplaats] Kom" de bestemming "eengezinshuizen, vrijstaand en/of dubbel met bijbehorende tuinen". Het uitoefenen van een [B-bedrijf] is in strijd met de voorschriften geldende voor deze bestemming. Gelet op de woonomgeving zien wij ook geen redenen om het bestemmingsplan "[woonplaats] Kom" te wijzigen zodanig dat vestiging van het door uw kliƫnten gewenste bedrijf mogelijk wordt.

Vorenstaande betreft een voorlopig standpunt van ons kollege. Alvorens wij een definitief standpunt innemen stellen wij u op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht in de gelegenheid uw zienswijze aan ons kenbaar te maken. Wij nodigen u daarvoor uit voor een gesprek met de portefeuillehouder, de heer M. Schollema, op woensdag 31 januari 1996 om 16.00 uur op de afdeling Ruimtelijke Zaken, Concordiaplein 4 te Middelstum. Zonder tegenbericht van uw zijde gaan wij ervan uit dat u op genoemd tijdstip aanwezig zult zijn." Het echtpaar [kopers] heeft aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven en heeft appellant medegedeeld van de koop te willen afzien. Appellant heeft in augustus 1997 een afschrift van voornoemde brief ontvangen.

2.3. Appellant heeft van de gemeente een bedrag van f 40.000,-- aan schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag is het verschil tussen de prijs die hij van het echtpaar [kopers] had kunnen krijgen en de prijs die hij stelt te kunnen ontvangen, nu het pand niet als bedrijfspand verkoopbaar is. Deze vordering is uitdrukkelijk niet gebaseerd op artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, aldus appellant. Een besluit op basis van dit artikel had appellant reeds ontvangen.

2.4. Burgemeester en wethouders zijn blijkens de beslissing op bezwaar de mening toegedaan dat feitelijk handelen, te weten het verstrekken van beweerdelijk onjuiste informatie, als schadeoorzaak is aan te merken. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat, nu tegen dat feitelijk handelen geen beroep op de bestuursrechter openstaat, ook het schadebesluit niet bij de bestuursrechter kan worden aangevochten. Zij achten de burgerlijke rechter bevoegd. Zij hebben het bezwaar van appellant tegen de afwijzende beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven.

2.5. Appellant heeft in hoger beroep de constatering dat de schade is veroorzaakt door feitelijk handelen, bestreden. Hij betoogt dat burgemeester en wethouders en de rechtbank hebben miskend dat de mededelingen van de kant van de gemeente op rechtsgevolg waren gericht en derhalve besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn. Zowel het verslag van het gesprek op 29 november 1995 als de brief van 19 januari 1996 bevatten immers, aldus appellant, een rechtsoordeel, gegeven in antwoord op een verzoek om toestemming voor een bepaald voorgenomen gebruik, omtrent de inhoud van publiekrechtelijke voorschriften - het bestemmingsplan - die burgemeester en wethouders moeten toepassen.

2.5.1. Dit betoog treft geen doel. De mededelingen van de burgemeester aan appellant op 29 november 1995 zijn niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit geldt evenzeer voor de brief van 19 januari 1996, die, gezien zijn bewoordingen, slechts een voorlopig standpunt van burgemeester en wethouders bevat.

2.5.2. Gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997, in zaak no. H01.96.05781G01 (AB 1997, 229) volgt uit het vorenstaande dat ook de weigering van burgemeester en wethouders de gestelde schade als gevolg van bedoeld schadeveroorzakend handelen te vergoeden niet bij de bestuursrechter beroepbaar is, zodat daartegen evenmin bezwaar kon worden gemaakt. Het bezwaar van appellant is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.5.3. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Het hoger beroep is mitsdien ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2000

45-306. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,