Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7331

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0602/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanschrijvingsbeleid. Art. 14.1 Woningwet biedt geen basis voor preventieve aanschrijving ten einde defecten die in de ver verwijderde toekomst mogelijk zullen ontstaan alvast te ondervangen.

Voorzieningenaanschrijving (art. 14.1 Woningwet) m.b.t. woning. Een van de belangrijkste uitgangspunten van het door het stadsdeel gevoerde beleid inzake stadsvernieuwing en -verbetering is dat een handhavingstermijn van 25 jaar wordt nagestreefd, in die zin dat de aan het aangeschreven pand te treffen voorzieningen zodanige verbetering inhouden dat het gedurende 25 jaar geen groot onderhoud meer behoeft. In het bij de rechtbank bestreden besluit is toepassing gegeven aan dit beleid. Het imperatieve karakter van art. 14.1 Woningwet laat onverlet dat het bestuur zich een weloverwogen oordeel dient te vormen over de vraag of het treffen van voorzieningen noodzakelijk is te achten. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een met het Bouwbesluit strijdige toestand, is een zeker - op de naaste - toekomst gericht beleid bij de gemeentelijke aanschrijvingspraktijk niet uitgesloten. In die zin is een aanschrijving niet alleen gerechtvaardigd wanneer zich feitelijk een defect voordoet, maar ook wanneer naar verwachting binnen korte termijn een defect zal ontstaan. Deze toekomstgerichtheid kan echter niet zover strekken dat, zoals i.c., op grond van een beleid om woningen voor een langere periode voor groot onderhoud te vrijwaren, wordt aangeschreven voorzieningen te treffen ten einde defecten die in de ver verwijderde toekomst mogelijk zullen ontstaan alvast te ondervangen. Evenals is geoordeeld terzake van art. 25.1.b Woningwet 1962 biedt art. 14.1 van de huidige Woningwet geen basis voor een dergelijke preventieve aanschrijving.

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam

mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, C. de Gooijer, C.A. Terwee-van Hilten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2000/732
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0602/1.

Datum uitspraak 15 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 maart 1999 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 1996 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Watergraafsmeer appellant op grond van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet aangeschreven een aantal nader omschreven voorzieningen te treffen aan het hem in eigendom toebehorende bouwwerk Ringdijk X te B.

Bij besluit van 22 december 1998 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Watergraafsmeer, (hierna: het dagelijks bestuur), het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond, deels ongegrond verklaard. Daarbij is de aanschrijving met de in dit besluit vermelde correcties gehandhaafd. Dit besluit en het advies van de Algemene ambtelijke bezwaarschriftencommissie van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van 11 december 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 1999, verzonden op die datum, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de president) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 mei 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 december 1999 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door rnr S.L. Schram, advocaat te Amsterdam en ir N.P.M. Scholten, medewerker van TNO Bouw te Delft, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr S.F.M. Heijsen, ambtenaar van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet - voorzover van belang - schrijven burgemeester en wethouders, indien een woning wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen. Het dagelijks bestuur oefent te dezen de bevoegdheid van burgemeester en wethouders uit.

2.2. In het op 16 november 1994 door de stadsdeelraad Watergraafsmeer vastgestelde "Plan van Aanpak stadsvernieuwing Ringdijk en omgeving" is het door het stadsdeel gevoerde beleid inzake stadsvernieuwing en -verbetering aan de Ringdijk neergelegd. Een van de belangrijkste uitgangspunten van dit beleid is dat een handhavingstermijn van 25 jaar wordt nagestreefd, in die zin dat de aan het aangeschreven pand te treffen voorzieningen zodanige verbetering inhouden dat het gedurende 25 jaar geen groot onderhoud meer behoeft. In de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde aanschrijving is toepassing gegeven aan dit beleid.

2.3. Het imperatieve karakter van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet laat onverlet dat het bestuur zich een weloverwogen oordeel dient te vormen over de vraag of het treffen van voorzieningen noodzakelijk is te achten. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een met het Bouwbesluit strijdige toestand, is een zeker - op de naaste - toekomst gericht beleid bij de gemeentelijke aanschrijvingpraktijk niet uitgesloten. In die zin is een aanschrijving niet alleen gerechtvaardigd wanneer zich feitelijk een defect voordoet, maar ook wanneer naar verwachting binnen korte termijn een defect zal ontstaan. Deze toekomstgerichtheid kan echter niet zover strekken dat, zoals in het onderhavige geval, op grond van een beleid om woningen voor een langere periode voor groot onderhoud te vrijwaren, wordt aangeschreven voorzieningen te treffen teneinde defecten die in de verder verwijderde toekomst mogelijk zullen ontstaan alvast te ondervangen. Evenals is geoordeeld terzake van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet 1962, is de Afdeling van oordeel dat artikel 14, eerste lid, van de huidige Woningwet geen basis biedt voor een dergelijke

preventieve aanschrijving.

2.4. Het vorenstaande neemt niet weg, dat sprake kan zijn van een gerechtvaardigde aanschrijvingsgrondslag, indien - los van het hiervoor omschreven beleidsuitgangspunt - voldoende aannemelijk is dat het betrokken pand wegens strijd met de bepalingen uit het Bouwbesluit of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft.

2.4.1. Het hoger beroep heeft betrekking op het oordeel van de president over drie onderdelen van de in bezwaar gehandhaafde aanschrijving van 29 oktober 1996.

2.4.2. Het onderdeel van dit besluit, waarbij is aangeschreven tot het vernieuwen van de met het pand Ringdijk Y en Ringdijk Z gemeenschappelijke fundering van het pand, is gebaseerd op de resultaten van een door Mos Grondmechanica verricht onderzoek naar de gesteldheid van de fundering. In het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport is het betrokken pand ingedeeld in kwaliteitsklasse III, hetgeen inhoudt dat de verwachting is dat dit pand nog tenminste vijftien jaar kan blijven staan zonder ingrijpende maatregelen. Gelet hierop en in aanmerking genomen het in opdracht van appellant opgestelde rapport van TNO Bouw - waarin de resultaten van het onderzoek van Mos Grondmechanica gemotiveerd worden bestreden -, is niet aannemelijk dat thans of binnen korte termijn sprake is van strijd met de in artikel 73 van het Bouwbesluit neergelegde sterkte-eis met betrekking tot de bouwconstructie en dat daarom de fundering noodzakelijk verbetering behoeft.

2.4.3. Het onderdeel van de aanschrijving van 29 oktober 1996, waarbij is aangeschreven tot het treffen van voorzieningen aan het dak, is gebaseerd op het rapport van een plaatsopneming door een wiikinspecteur van de Afdeling wonen en werken. Naar het oordeel van de Afdeling biedt dit rapport onvoldoende grond voor de conclusie dat de dakbedekking thans of binnen korte termijn niet (meer) voldoet aan eisen van vochtwerendheid, als bedoeld in artikel 89 van het Bouwbesluit. Hetgeen het dagelijks bestuur ter zitting omtrent de uiterlijke staat van de dakbedekking naar voren heeft gebracht, kan deze conclusie evenmin dragen.

2.4.4. Het hoger beroep heeft verder betrekking op de handhaving van de aanschrijving tot het uitvlakken van de vloeren op de eerste verdieping. Ten aanzien van dit onderdeel van de aanschrijving overweegt de Afdeling dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat thans of binnen korte termijn sprake is van zodanige ernstige hinder of gevaar, dat een aanschrijving tot het treffen van (veiligheids)voorzieningen geboden was.

2.4.5. Temeer waar de beweegreden van het dagelijks bestuur om appellant aan te schrijven tot het vernieuwen van de fundering, het treffen van voorzieningen aan het dak en het uitvlakken van de vloeren op de eerste verdieping van het pand Ringdijk X, niet los kan worden gezien van het in overweging 2.2 omschreven beleidsuitgangspunt - dat, gelet op het in overweging 2.3 overwogene, niet kan dienen als grondslag voor een aanschrijving -, moet worden geoordeeld dat de aanschrijving op die onderdelen in strijd is met artikel 14, eerste lid, van de Woningwet.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de president heeft geoordeeld, de beslissing op bezwaar van 22 december 1998 voor vernietiging in aanmerking komt. Het hoger beroep is gegrond, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidende beroep moet alsnog gegrond worden verklaard. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zal de Afdeling het besluit van 29 oktober 1996, voor zover dit betrekking heeft op het vernieuwen van de fundering, het treffen van voorzieningen aan het dak en het uitvlakken van de vloeren op de eerste verdieping van het pand Ringdijk X, herroepen en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het daarop betrekking hebbende vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar.

2.6. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin-

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 maart 1999 AWB 991838 GEMWT en AWB 9911003 GEMWT, voor zover daarbij het beroep gericht tegen de bij het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam, van 22 december 1998 gehandhaafde aanschrijving betreffende het vernieuwen van de fundering, het treffen van voorzieningen aan het dak en het uitvlakken van de vloeren op de eerste verdieping van het pand Ringdijk X, ongegrond is verklaard,

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam, van 22 december 1998, voor zover dit strekt tot handhaving van de aanschrijving tot het vernieuwen van de fundering, het treffen van voorzieningen aan het dak en het uitvlakken van de vloeren op de eerste verdieping van het pand Ringdijk X;

V. herroept het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam, van 29 oktober 1996, voor zover appellant daarbij is aangeschreven tot het vernieuwen van de fundering, het treffen van voorzieningen aan het dak en het uitvlakken van de vloeren op de eerste verdieping van het pand Ringdijk X;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam, van 22 december 1998;

VII. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gemeente Amsterdam, in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 3456,20, waarvan een gedeelte groot f 2.840,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellant:

VIII. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (in totaal f 565,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van de

ambtenaar van Staat:

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2000

58-53.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,