Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
H01.99.0416
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:1999:AA3419
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegangsontzegging universiteit.

Hoger beroep van AA3419

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/300 met annotatie van Mr. J.M.E. Derks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0416.

Datum uitspraak: 12 september 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 februari 1999 in het geding tussen:

appellant

en

de openbare universiteit "Erasmus Universiteit Rotterdam" te Rotterdam.

1 . Procesverloop

Bij brief van 8 oktober 1997, aangevuld bij brief van 28 oktober 1997, heeft het college van bestuur van de openbare universiteit 'Erasmus Universiteit Rotterdam" (hierna: de universiteit) appellant op basis van artikel 7.57a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit voor de duur van een jaar ontzegd.

Bij besluit van 2 april 1998 heeft het college van bestuur van de universiteit het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en besloten om hem op basis van artikel 9.2 van de WHW de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit voor onbepaalde termijn te ontzeggen.

Bij uitspraak van 6 juli 1998 heeft de voorzitter van het College van Beroep voor het hoger onderwijs (hierna: het College) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit, voorzover hij daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, vernietigd.

Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft het college van bestuur van de universiteit appellant alsnog in zijn bezwaar ontvangen en de brieven van 8 oktober 1997 en 28 oktober 1997 herroepen. Bij afzonderlijke brief van 6 augustus 1998 heeft het college van bestuur van de universiteit de ontzegging voor onbepaalde termijn van de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit gehandhaafd. Beide brieven van 6 augustus 1998 en het advies van de Kamer voor Bestuurlijke Zaken van de Adviescommissie voor de Bezwaarschriften van de EUR van 3 augustus 1998, waarnaar door het college van bestuur wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 1998 heeft de griffier van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank), met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het door appellant tegen de brieven van 6 augustus 1998 ingediende beroepschrift doorgezonden aan het College.

Bij uitspraak van 23 september 1998 heeft de voorzitter van het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard, voorzover dat is gericht tegen de brief van 6 augustus 1998 waarbij de besluiten van 8 oktober 1997 en 28 oktober 1997 zijn herroepen, en zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen, voorzover dat is gericht tegen de brief van 6 augustus 1998 waarbij de ontzegging voor onbepaalde termijn van de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit is gehandhaafd. In zoverre heeft het College bepaald dat het beroepschrift moet worden doorgezonden aan de rechtbank, sector bestuursrecht.

Bij uitspraak van 10 februari 1999, verzonden op 12 februari 1999, heeft de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken van de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 maart 1999, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 juli 1999 heeft de universiteit een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2000, waar appellant in persoon en de universiteit, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en mr. M.H. Carp-den Baas, gemachtigde, zijn verschenen.

Op verzoek van de Afdeling heeft de universiteit bij brief van 29 juni 2000 nadere stukken ingezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken onbevoegdverklaring om kennis te nemen van het beroep tegen de gehandhaafde beslissing van het college van bestuur van de universiteit van 2 april 1998 om appellant de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit voor onbepaalde termijn te ontzeggen.

2.2. Vooropgesteld moet worden dat appellant niet kan worden aangemerkt als student of extraneus in de zin van de WHW.

Het college van bestuur van de universiteit heeft zijn beslissing derhalve terecht niet gebaseerd op artikel 7.57a (thans: 7.57h) van de WHW. Gezien de systematiek van de WHW en de plaats van dit artikel - dat is opgenomen in hoofdstuk 7, titel 3, dat ziet op studenten en extraneus heeft artikel 7.57a slechts betrekking op diegenen die als student of extraneus aan de universiteit zijn ingeschreven. Voor dit oordeel kan bovendien steun worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.57a van de WHW (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 646, nr. 3, pagina's 30 en 31).

2.3. De rechtbank heeft gezien het vorenstaande terecht geoordeeld dat de beslissing van het college van bestuur om appellant de toezegging tot de terreinen en gebouwen van de universiteit te ontzeggen, niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De beslissing van het college van bestuur hangt immers uitsluitend samen met het beheer van de gebouwen en terreinen waarover de universiteit beschikt, voor welke taak - gelet op artikel 9.2, eerste lid, van de WHW - het college van bestuur zorg draagt.

De rechtbank heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen.

2.4. Het, hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, zoals door appellant verzocht, is daarom geen plaats.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn evenmin termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.H. Grosheide, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligttelijn-van Bilderbeek w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2000

66-282. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

[noot redactie: deze uitspraak is het hoger beroep van AA3419]