Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2000
Datum publicatie
08-08-2000
Zaaknummer
199902198/1a
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 1998, kenmerk N L 91742, heeft verweerder krachtens artikel 4, derde lid, onder b, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, (hierna te noemen: de EVOA) bezwaar gemaakt tegen het voornemen van appellante om 150.000 kg ijzerchloride-oplossing uit te voeren naar Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199902198/1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2000

AFDELING BESTUURRECHTSSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Stork Veco B.V”' te Eerbeek,

appellante,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 10 december 1998, kenmerk N L 91742, heeft verweerder krachtens artikel 4, derde lid, onder b, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, (hierna te noemen: de EVOA) bezwaar gemaakt tegen het voornemen van appellante om 150.000 kg ijzerchloride-oplossing uit te voeren naar Duitsland.

Bij besluit van 3 augustus 1999, kenmerk IMA-1 999-4454, verzonden op 3 augustus 1999, heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 september 1999, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 1999, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van beide partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.H.A. Knol, advocaat te Amsterdam, en J.M. Boerman, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.E.M. Kohil, mr. A.P. Dijkstra, A. Hiemstra, ing. J.H. Lith, mr. M.H. Meijer en mr. J.M.H. Mensinga, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De ijzerchloride-oplossing, een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in het Bestuit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, komt als reststof vrij in het productieproces van appellante en wordt ingezet in de afvalbehandelingsinstallatie of zogenoemde ONO-installatie van Edelhoff Abfall bereitungstechnik GmbH & Co te Bramsche in Duitsland (hierna te noemen: Edelhoff) voor de binding van andere afvalstoffen, te weten metalen. Deze metalen zinken na binding naar de bodem, waar ze kunnen worden opgevangen en neergeslagen in een filterkoek. Deze koek wordt gestort. De ijzerchloride-oplossing wordt toegevoegd ter stabilisatie van het bindingsproces. Hiervoor kan ook de grondstof ijzerchloride worden gebruikt.

2.2. Verweerder heeft bij besluit van 10 december 1998, genomen krachtens artikel 4, derde lid, onder b, van de EVOA, gelezen in samenhang met het bepaalde in het Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen II (hierna te noemen: MJP GAII) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van 150.00 kg ijzerchloride-oplossing naar Edelhoff. Appellante bestrijdt dat verweerder bezwaar had mogen maken tegen de overbrenging. Zij betoogt daartoe dat sprake is van nuttige toepassing van afvalstoffen en niet van verwijdering als bedoeld in artikel 1, onder e en f, in samenhang gelezen met de bijlagen 11 A en 11 B van de Richtlijn 751442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (hierna te noemen: de kaderrichtlijn).

2.3. Ingevolge artikel 4, onder 3, onder b, onder i en iii, van de EVOA kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming, rekening houdend met geografische omstandigheden en de behoefte aan gespecialiseerde installaties voor bepaalde soorten afvalstoffen, gemotiveerde bezwaren tegen de voorgenomen overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen maken, indien deze niet in overeenstemming is met de kaderrichtlijn, in het bijzonder de artikelen 5 en 7, ten einde het beginsel van zelfverzorging op communautair en nationaal niveau toe te passen en om te waarborgen dat de overbrenging in overeenstemming is met de afvalbeheersplannen.

Ingevolge artikel 2, onder i, van de EVOA wordt onder verwijdering verstaan: de handelingen als zodanig omschreven in artikel 1, onder e, van de kaderrichtlijn.

Ingevolge artikel 2, onder k, van de EVOA wordt onder nuttige toepassing verstaan de handelingen als zodanig omschreven in artikel 1, onder f, van de kaderrichtlijn. Ingevolge artikel 1, onder e, van de kaderrichtlijn wordt onder verwijdering verstaan alle in de bijlage 11 A bedoelde handelingen.

Ingevolge artikel 1, onder f, van de kaderrichtlijn wordt onder nuttige toepassing verstaan alle in bijlage 11 B bedoelde handelingen.

2.3.1. In deelplan II, sectorplan 8, Zuren, basen en zwavelhoudende afvalstoffen, van het MJP GAII, een afvalbeheersplan als bedoeld in artikel 7 van de kaderrichtlijn, wordt voor het algemene beleid met betrekking tot in en uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen verwezen naar hoofdstuk 8 van het MJP GAII. In paragraaf 8.2 van het MJP GA II is vermeld dat, voorzover voldoende capaciteit voor definitieve verwijdering in Nederland aanwezig is, in beginsel bezwaar wordt gemaakt tegen de overbrenging van alle voor definitieve verwijdering bestemde gevaarlijke afvalstoffen op basis van het principe van zelfvoorziening op nationaal niveau, hetgeen noodzakelijk is voor de waarborging van de continuïteit van de definitieve verwijdering.

2.4. Appellante betoogt dat de handeling met betrekking tot de ijzerchloride-oplossing gekwalificeerd dient te worden als een handeling van nuttige toepassing en wel R4, recycling/terugwinning van Metalen en metaalverbindingen, R6, terugwinning van zuren of basen, of R10, uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering, als bedoeld in bijlage II B van de kaderrichtlijn.

Hiertoe voert appellante aan dat het gebruik van de oplossing primaire grondstoffen bespaart en het ontstaan van afvalstoffen beperkt. Bovendien wordt de oplossing hergebruikt, doordat hieraan een extra toepassing wordt gegeven, zodat zij niet hoeft te worden gestort. In dit verband betoogt appellante dat, anders dan verweerder meent, ook zonder dat een nadere bewerking of behandeling plaatsvindt er sprake kan zijn van hergebruik.

Voorts zijn de door verweerder gehanteerde criteria om te bepalen of sprake is van verwijdering of nuttige toepassing, te weten het hoofddoelcriterium en de specifieke beschrijving van verwijderingshandelingen, volgens appellante onduidelijk en niet ontleend aan de kaderrichtlijn of de jurisprudentie.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betreffende handeling dient te worden gekarakteriseerd als een verwijderingshandeling en wel D9, fysisch-chemische behandeling op een niet elders op deze bijlage aangegeven wijze, waardoor verbindingen ontstaan of mengsels ontstaan die worden verwijderd op 66n van de onder D 1 tot en met D 12 vermelde methodes (b.v. verdampen, drogen, calcineren, enz.), als bedoeld in bijlage II A van de kaderrichtlijn.

Hiertoe doet verweerder een beroep op het zogenoemde hoofddoelcriterium, hetgeen voor hem inhoudt dat voor de kwalificatie van een handeling als verwijdering of als nuttige toepassing, doorslaggevend is het primaire doel van de verwerkingswijze, te weten het definitief verwijderen van afvalstoffen dan wel besparing van andere meer waardevolle afvalstoffen. Aangezien het hoofddoel van de onderhavige verwerkingswijze is het verwijderen van afvalstoffen, is er sprake van verwijdering. Dat enig nuttig effect aan de handeling niet kan worden ontzegd, doet aan deze kwalificatie niet af.

Gelet op de uitspraak van de Voorzitter van 5 november 1999, nr. 199901825/1, acht verweerder voor beantwoording van de vraag of sprake is van verwijdering of nuttige toepassing verder voor de kwalificatie van de handeling van belang de aard van de bewerking, het nuttig effect ervan en de lokatie waar de handeling wordt uitgevoerd.

In verband met de aard van de bewerking gaat verweerder in op de betekenis van het begrip 'recycling' in bijlage II B van de kaderrichtlijn. Hieronder verstaat hij, met verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Alber in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 alsmede naar artikel 3, eerste lid, onder b, van de kaderrichtlijn, tevens hergebruik. Hergebruik in de zin van materiaalhergebruik, daargelaten of dit voor hetzelfde doel plaatsvindt, houdt volgens verweerder in het na een bewerking wederom gebruiken van de daaruit resulterende materialen. Verweerder sluit niet uit dat de vervangende materialen/stoffen voor de betreffende toepassing gelijk of zelfs beter zijn dan gewone materialen/stoffen en dat in dat geval sprake kan zijn van een handeling R4 als bedoeld in de kaderrichtlijn. Thans is evenwel geen sprake van hergebruik in bovenbedoelde zin van de ijzerchloride-oplossing, aangezien de oplossing geen behandeling of bewerking ondergaat. Evenmin is volgens verweerder sprake van handeling R6 of R10, aangezien geen terugwinning van zuren en basen plaatsvindt en de reststof slib moet worden gestort.

Met betrekking tot het beweerde nuttig effect van de handeling rnerkt verweerder op dat het, gelet op de te maken kosten, niet aannemelijk is dat in plaats van afvalstoffen primaire grondstoffen zouden worden gebruikt.

Met betrekking tot de locatie wijst verweerder erop dat de door Edelhoff gebruikte ONO-installatie een afvalverwijderingsinrichting is.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, indien een handeling als verwijdering en als nuttige toepassing kan worden beschouwd, het in de rede ligt deze te beschouwen als een verwijderingshandeling. Hij wijst daartoe in de eerste plaats op het door de kaderrichtlijn en de EVOA beoogde beschermingsniveau. Verweerder acht het hiermee in overeenstemming dat de verwijderingshandelingen in de kaderrichtlijn specifieker beschreven zijn dan de handelingen van nuttige toepassing. In de tweede plaats voert hij hiertoe aan dat de lijst van handelingen van nuttige toepassing limitatief is, gelet op artikel 3 in samenhang met artikel 8 en 10 van de kaderrichtlijn en het uitgangspunt ervan, te weten, kort gezegd, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen schadelijke afvalstoffen. Uitbreiding van de lijst met handelingen van nuttige toepassing zou tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen overbrenging wordt beperkt en levert strijd op met het beginsel dat in alle Lid-Staten eenzelfde uitleg en toepassing aan de kaderrichtlijn en de EVOA wordt gegeven. Nu sprake is van een verwijderingshandeling, stelt verweerder dat hij krachtens artikel 4, derde lid, onder b, van de EVOA bezwaar kon maken tegen de voorgenomen overbrenging en heeft hij van die bevoegdheid gebruik gemaakt op grond van het beginsel van zelfverzorging en omdat de overbrenging in strijd zou zijn met het MJP GAII.

2.4.2. Voor de beantwoording van de vraag of verweerder bevoegd was krachtens artikel 4 van de EVOA bezwaar te maken tegen de overbrenging, zal de Afdeling moeten bepalen of de behandeling van de ijzerchloride- oplossing in de ONO-installatie van Edelhoff moet worden aangemerkt als een handeling van verwijdering of van nuttige toepassing. Volgens de letterlijke tekst van bijlage II A van de kaderrichtlijn kan de handeling worden aangemerkt als handeling D9, fysisch-chemische behandeling op een niet elders in deze bijlage aangegeven wijze, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd op de onder D1 vermelde methode (storten op of in de bodem). Niet uitgesloten is echter dat de handeling tevens kan worden aangemerkt als handeling R4, recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen, dan wel als een andere handeling van nuttige toepassing. Hierbij rijst de vraag of sprake kan zijn van recycIing bij het mengen met andere oplossingen van metalen, waarbij de oplossing uitsluitend dient ter stabilisatie van het bindingsproces van die andere metalen. Een aanwijzing hiervoor is gelegen in artikel 3, onder b, onder i, van de kaderrichtlijn. Ingevolge dit artikel kan onder 'recycling' tevens hergebruik worden verstaan. Het begrip 'hergebruik' sluit niet uit dat de afvalstof direct, zelfs zonder enige bewerking, opnieuw kan worden gebruikt. Noch de kaderrichtlijn noch de jurisprudentie van het Hof biedt over deze uitleg van de termen 'recycling' en 'hergebruik' echter duidelijkheid. Om iedere twijfel over dit punt weg te nemen, acht de Afdeling het van belang hierover de volgende prejudiciële vragen aan het Hof te stellen:

1.a. Dient de in bijlage 118 van Richtlijn 7514421EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (hierna te noemen: de kaderrichtlijn), onder R4 vermelde handeling, recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen, aldus te worden uitgelegd dat daaronder ook valt .”hergebruik" als bedoeld in artikel 3, onder b, onder i, van de kaderrichtlijn?

1.b. Hoe dient, mede gelet op het antwoord op de hiervóór gestelde vermelde handeling vereist dat de stof een bewerking ondergaat, meermalig kan worden gebruikt of terugneembaar is?

2.4.3. Als voor de toepasselijkheid van het begrip *recycling/terugwinning', al dan niet met inbegrip van het begrip 'hergebruik’ in de zin van artikel 3, onder b, onder i, van de kaderrichtlijn, wél moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat daaraan voorafgaand een bewerking plaatsvindt (of meermalig gebruik dan wel terugneembaarheid), dan wil dat nog niet zeggen dat de behandeling van de ijzerchloride-oplossing niet anderszins kan worden aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing. Gezien de aanhef van de bijlagen II A en B van de kaderrichtlijn kan namelijk gesteld worden dat de in beide bijlagen gegeven overzichten van handelingen niet limitatief zijn. Ook daarover biedt de kaderrichtlijn noch de jurisprudentie van het Hof echter uitsluitsel. Als de lijsten niet limitatief zijn, betekent dit dat voor de vraag hoe een bepaalde handeling moet worden gekwalificeerd niet zozeer bepalend is de letterlijke omschrijving van een bepaalde handeling als wel de aard daarvan. De Afdeling acht het derhalve noodzakelijk om hierover de volgende vraag te stellen:

2. Indien uit het antwoord op de hierboven gestelde vragen volgt dat een handeling als de. behandeling van de ijzerchloride-oplossing niet onder R4 valt. Zijn de in de bijlagen 11 A en 118 van de kaderrichtlijn gegeven overzichten van handelingen limitatief dan wel is één van deze overzichten limitatief en zo ja, welk overzicht?

2.4.4. Indien uit het antwoord op de vragen 1 a en 1 b volgt dat de behandeling van de oplossing wél een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in R4 kan zijn, maar, zoals in par. 2.4.2. opgemerkt, tevens een verwijderingshandeling als bedoeld in D9, rijst de vraag of de opsommingen van handelingen in bijlagen II A en II B wederzijds exclusief zijn. Hiermee wordt bedoeld of het mogelijk is dat een handeling zowel een handeling als bedoeld in R4 als een handeling als bedoeld in D9 is.

De vraag of de lijsten wederzijds exclusief zijn, rijst ook als de behandeling van de oplossing niet als een handeling als bedoeld in R4 kan worden aangemerkt, maar uit het antwoord op de tweede vraag volgt dat het overzicht van handelingen in bijlage II B niet limitatief is. Dan zou zich immers het geval kunnen voordoen dat ook genoemde behandeling een (niet uitdrukkelijk genoemde) handeling van nuttige toepassing is.

De Afdeling gaat er vanuit dat, gelet op de het systeem van de kaderrichtlijn, de lijsten wederzijds exclusief zijn, hetgeen betekent dat een handeling óf een verwijderingshandeling óf een handeling van nuttige toepassing is, waarbij aan de hand van criteria moot worden vastgesteld of de ene dan wel de andere lijst van toepassing is.

Uitgaande van dit oordeel, rijst de vraag welke bijlage in dit geval van toepassing is. de beantwoording van deze vraag hangt af van de criteria volgens welke de handelingen van bijlage 11 van de kaderrichtlijn dienen te worden ingedeeld. De Afdeling verwijst in dit verband naar de vijfde prejudiciële vraag die het Verwaltungsgerichtsthof van Oostenrijk op 16 december 1999 heeft gesteld aan het Hof in zaak nr. C-006/00-1. de Afdeling leidt uit de hierboven weergegeven standpunten van partijen verschillende criteria af die mogelijk van belang kunnen zijn om het onderscheid te maken of sprake is van verwijdering of nuttige toepassing, zoals het primaire doel van de ontdoener met de betrokken handeling (het zogenoemde hoofddoelcriterium), de aard van de bewerking, de omstandigheid dat een handeling aan een specifieke locatie is gebonden dan wel meer procesgericht is en de besparing van primaire grondstoffen. Zij voegt hieraan toe dat voorts van belang zou kunnen zijn of degene die zich van de afvalstoffen ontdoet voor de verwerkingshandeling moet betalen, hetgeen een argument kan zijn dat de handeling een verwijderingshandeling is, en het feit dat bepaalde afvalstoffen in Nederland als bouwstof krachtens het Nederlandse Bouwstoffenbesluit mogen worden gebruikt, omdat deze stoffen geen nadelige effecten hebben voor het milieu, hetgeen pleit voor nuttige toepassing. Zij vraagt zich ook af of een handeling met enig nuttig effect reeds om die reden als een handeling van nuttige toepassing moet worden beschouwd.

De Afdeling acht een oordeel van het Hof over de toepasselijkheid van genoemde criteria ter onderscheiding van verwijdering en nuttige toepassing noodzakelijk om uitspraak te doen in het onderhavige geschil.

2.4.5. Verder vraagt de Afdeling zich af of in het algemeen aan één van de lijsten voorrang moet worden gegeven, en zo ja, aan welke. Naar het oordeel van de Afdeling zou vóór de opvatting dat prioriteit moet worden gegeven aan de toepassing van bijlage II A kunnen spreken het beoogde beschermingsniveau van de kaderrichtlijn, zoals dit blijkt uit de considerans en het systeem ervan. In de considerans is gesteld dat iedere regeling op het gebied van verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden van handelingen met afvalstoffen. Bovendien zou vóór deze opvatting kunnen spreken de omstandigheid dat de verwijderingshandelingen specifieker zijn omschreven dan de handelingen van nuttige toepassing. Hier staat tegenover dat met name uit de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn kan worden afgeleid dat nuttige toepassing moet worden bevorderd. In artikel 3, onder b, onder i, is bepaald dat de lidstaten passende maatregelen moeten nemen ter bevordering van de nuttige toepassing van afvalstoffen. In artikel 4 is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder, kort gezegd, gevaar voor de gezondheid en zonder nadelige gevolgen voor het milieu. Deze artikelen zouden vóór de opvatting kunnen pleiten dat prioriteit moet worden gegeven aan de kwalificatie als nuttige toepassing. Daarvoor pleit ook dat blijkens de uitspraak van het Hof van 25 juni 1998 in zaak nr. C-203/96 (Chemische Afvalstoffen Dusseldorp B.V.) in geval van nuttige toepassing de beperkingen die deze toepassing aan het vrije verkeer binnen de interne markt stelt, het geringst zijn.

2.4.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding de volgende prejudiciële vragen aan het Hof te stellen:

3.a. Aan de hand van welke criteria dient te worden beslist of een handeling moet worden aangemerkt als verwijdering of nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1 van de kaderrichtlijn?

3.b. Indien een handeling gekwalificeerd kan worden als een verwijderingshandeling en als een handeling van nuttige toepassing, moet dan aan de lijst in bijlage II A of 11B prioriteit worden gegeven bij de kwalificatie van die handeling of heeft geen van beide Arresten voorrang op de andere?

2.4.7. Voorzover de behandeling van de ijzerchloride-oplossing moet worden aangemerkt als verwijdering, ziet de Afdeling zich ambtshalve voor de vraag gesteld of verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan het beginsel van zelfverzorging, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, onder i, van de EVOA. Voorzover dit beginsel juist zou zijn toegepast, moet worden beoordeeld in hoeverre toepassing van dit beginsel verenigbaar is met artikel 29 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen: EG).

2.4.8. Ingevolge artikel 29 EG zijn kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten verboden. Ingevolge artikel 30 EG, voorzover thans van belang, vormen de bepalingen van de artikelen 28 en 29 geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het ]even van personen, dieren of planten. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.

2.4.9. De Afdeling houdt het ervoor dat met het in het MJP GAII vermelde zeifvoorzieningsbeginsel wordt bedoeld het beginsel van zelfverzorging op nationaal niveau, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, onder i, van de EVOA. In artikel 4 van de EVOA wordt verwezen naar artikel 5 van de kaderrichtlijn, waarin is bepaald, kort gezegd, dat de Gemeenschap als geheel zelfverzorgend moet kunnen worden op het gebied van afvalverwijdering door het opzetten van een net van verwijderinginstallaties en dat de Lid-Staten afzonderlijk naar dit doel moeten kunnen streven. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat nationale zelfverzorging uitsluitend ten dienste mag staan van de communautaire zelfverzorging. Indien dit zo is, had verweerder geen bezwaar tegen de overbrenging mogen maken op grond van het zelfverzorgingsbeginsel op nationaal niveau, zonder aan te, tonen dat zelfverzorging op nationaal niveau nodig is ten einde zelfverzorging op communautair niveau te bereiken. Daartegenover zou uit artikel 5 van de kaderrichtlijn ook kunnen worden afgeleid dat we] zelfstandige betekenis toekomt aan het beginsel van zelfverzorging op nationaal niveau en de bevoegde autoriteit bezwaar mag maken tegen de voorgenornen overbrenging teneinde zelfverzorging op louter nationaal niveau te realiseren. Door als Lid-Staten afzonderlijk naar zelfverzorging op nationaal niveau te streven, kan immers worden bereikt dat de Gemeenschap als geheel zelfverzorgend op het gebied van afvalverwijdering wordt. In dit verband is van belang dat de EVOA blijkens de considerans onder meer de implementatie vormt van het Verdrag van Bazel, dat door de Europese Gemeenschap is ondertekend. Uit dit verdrag kan het beginsel van zelfverzorging op nationaal niveau worden afgeleid.

2.4.10. Het door verweerder gemaakte bezwaar op basis van het standpunt ten aanzien van voor verwijdering bestemde afvalstoffen, neergelegd in het MJP GAII, moet worden aangemerkt als een kwantitatieve uitvoerbeperking, dan wel een maatregel van gelijke werking als bedoeld in artikel 29 EG. Indien zelfstandige betekenis toekomt aan het zelfverzorgingsbeginsel op nationaal niveau, kan op grond van de EVOA een dergelijke uitvoerbeperkende maatregel worden opgelegd, teneinde op nationaal niveau een geïntegreerd en toereikend net van verwijderinginstallaties op te zetten. De vraag dient zich in dat geval aan of een uitvoerbeperking op grond van het nationale zelfverzorgingsbeginsel op zichzelf een rechtvaardiging kan zijn voor het uitvoerverbod op grond van artikel 30 EG, met name waar het betreft de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, dan wel orndat het kan worden aangemerkt als een dwingend vereiste van. milieubescherming.

2.4.11. De Afdeling ziet in het voorgaande aanleiding de volgende voor de uitspraak op beroep noodzakefijke prejudiciële vragen aan het Hof te stellen:

4.a. Indien de overbrenging van de ijzerchloride-oplossing moet worden aangemerkt als de overbrenging van een voor verwijdering bestemde afvalstof, kan dan krachtens artikel 4, derde lid, onder b, onder i, van de Verordening 2591931EEG van 1 februari 1993 betreffende ti2ezicht en controle op de overbrenging van Afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, (hierna te noemen: de EVOA) bezwaar worden gemaakt tegen de overbrenging uitsluitend vanwege de noodzaak zelfverzorging op nationaal niveau te bereiken, zonder dat is aangetoond dat zelfverzorging op nationaal niveau nodig is om zelfverzorging op communautair niveau te bereiken?

4.b. Z6 ja, is de EVOA, voorzover zij een dergelijk exportverbod louter op grond van het zelfverzorgingsbeginsel op nationaal niveau toelaat, verenigbaar met artikel 29 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap?

2.5. Resumerend komt de Afdeling op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat, alvorens op het beroep kan worden beslist, aan het Hof de volgende prejudiciële vragen dienen te worden gesteld:

1.a. Dient de in bijlage 118 van Richtlijn 7514421EEG van 15juli 1975 betreffende afvalstoffen hierna te noemen: de kaderrichtlijn,~, onder R4 vermelde handeling, recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen, aldus te worden uitgelegd dat daaronder ook valt 'hergebruik" als bedoeld in artikel 3, onder b, onder i, van de kaderrichtlijn

1.b. Hoe dient, mede gelet op het antwoord op de hierv66r gestelde vraag, R4 te worden uitgelegd? Is voor de aanwezigheid van de daar vermelde handeling vereist dat de stof een bewerking ondergaat, meermalig kan worden gebruikt of terugneembaar is?

2. Indien uit het antwoord op de hierboven gestelde vragen volgt dat een handeling als de behandeling van de ijzerchloride-oplossing niet onder R4 valt: zijn de in de bijlagen II A en II B van de kaderrichtlijn gegeven overzichten van handelingen limitatief dan wel is één van deze overzichten limitatief en zo ja, welk overzicht?

3.a. Aan de hand van welke criteria dient te worden beslist of een handeling moet worden aangemerkt als verwijdering of nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1 van de kaderrichtlijn?

3.b. Indien een handeling gekwalificeerd kan worden als, een verwijderingshandeling en als een handeling van nuttige toepassing, moet dan aan de lijst in bijlage II A of II B prioriteit worden gegeven bij de kwalificatie van die handeling of heeft geen van beide lijsten voorrang op de andere?

4.a. Indien de overbrenging van de ijzerchloride-oplossing moet worden aangemerkt als de overbrenging van een voor verwijdering bestemde afvalstof, kan dan krachtens artikel 4, derde lid, onder b, onder 4 van de Verordening 2591931EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, (hierna te noemen: de EVOA) bezwaar worden gemaakt tegen de overbrenging uitsluitend vanwege de noodzaak zelfverzorging op nationaal niveau te bereiken, zonder dat is aangetoond dat zelfverzorging op nationaal niveau nodig is om zelfverzorging op communautair niveau te bereiken?

4.b. Zo ja, is de EVOA, voorzover zij een dergelijk exportverbod louter op grond van het zelfverzorgingsbeginsel op nationaal niveau toelaat, verenigbaar met artikel 29 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap?

2.6. Gelet op het vorenstaande moet de behandeling van het beroep worden geschorst en iedere verdere behandeling worden aangehouden.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen, op de hierboven geformuleerde vragen;

II. schorst de behandeling en houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.P.H. Donner, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.M. Schothorst, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van

de ambtenaar van Staat:

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd (w.g. jhr. mr. F.B. van der Maesen

de Sombreff)

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2000

229-310.

Verzonden: 8 augustus 2000

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,