Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901780/1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

199901780/1.

Datum uitspraak: 14 augustus 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] te [woonplaas],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 8 juli 1999 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 1997 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) geweigerd om appellant een bijdrage krachtens de Wet individuele huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 toe te kennen.

Bij besluit van 17 december 1997 heeft de Staatssecretaris het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 juli 1999, verzonden op 13 juli 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 september 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 september 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 november 1999 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door mr M.G.H. Schenk, advocaat te Rotterdam is verschenen. De Staatssecretaris is niet verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Op 25 april 2000 is een nader stuk ontvangen van de Staatssecretaris. Dit is aan de andere partij toegezonden, die daarop bij brief van 17 mei 2000 heeft gereageerd. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling volgt de rechtbank in het oordeel dat de overschrijding door appellant van de termijn die in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is vergund voor het indienen van een bezwaarschrift verschoonbaar is, omdat de Staatssecretaris een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3:45, tweede lid, van de Awb. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de - hier van toepassing zijnde - Wet individuele huursubsidie (hierna: Wet IHS), wordt geen huursubsidie verstrekt ten aanzien van degene die na 1 juli 1975 huurder is geworden en tevens op het tijdstip waarop hij huurder is geworden, naar het oordeel van de Minister, gehoord burgemeester en wethouders, het genot had kunnen verkrijgen of behouden van, zijn economische en persoonlijke omstandigheden in aanmerking genomen, hem beter passende andere woonruimte. Bij toepassing van dit artikellid voert de Staatssecretaris een zogenaamd fiatteringsbeleid, dat door de Afdeling in eerdere uitspraken niet onredelijk is geoordeeld. In het kader van dit beleid geldt voor het onderhavige tijdvak dat woonruimte in beginsel niet passend is, wanneer een mogelijke subsidiebijdrage een bedrag van f 300,-- per maand zou overschrijden. In een dergelijk geval wordt huursubsidie slechts verstrekt indien de betrokken gemeente de overschrijding fiatteert.

2.3. Tussen partijen staat vast dat appellant op 25 september 1996 de woning [adres] in [woonplaats] heeft gehuurd om de periode tussen de verkoop van zijn woning in [oude woonplaats] en de koop van een nieuwe woning te overbruggen. Op 17 december 1996 is appellant zowel zakelijk als privé failliet verklaard. Hij heeft daarop om huursubsidie verzocht voor het tijdvak 1996-1997.

2.4. De Staatssecretaris heeft aan zijn besluit tot weigering van een bijdrage ten grondslag gelegd dat de woning, mede gezien het advies van de gemeente, niet passend is, omdat de fiatteringsgrens wordt overschreden.

Appellant heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zijn inkomsten ten tijde van het huren van de woning zodanig waren dat deze destijds als passend moest worden beschouwd. Op basis van het belastbaar inkomen over 1995 zou appellant ook reeds vóór het faillissement in aanmerking zijn gekomen voor een huursubsidiebijdrage die de fiatteringsgrens van f 300,-- overschreed, aldus de Staatssecretaris.

2.5. Indien appellant ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wet IHS, ten tijde van het aangaan van de huur niet in de termen van de Wet viel, - waarvoor aanknopingspunten in de stellingen van appellant te vinden zijn - kan hem niet worden tegengeworpen dat hij de gemeente [woonplaats] niet in de gelegenheid heeft gesteld om na te gaan of woonruimte beschikbaar was die gezien zijn persoonlijke omstandigheden beter passend was, alvorens de woning aan de [adres] te betrekken. Dit zou slechts anders zijn indien appellant desondanks redelijkerwijs had moeten voorzien, dat hij op korte termijn mogelijk wel een beroep op de Wet IHS zou moeten doen.

2.6. Uit de stukken blijkt niet dat de Staatssecretaris enig onderzoek heeft verricht naar de vermogenspositie van appellant, noch naar de mate waarin de terugval in de inkomens- en vermogenspositie voor appellant op het moment van het aangaan van de huurovereenkomst voorzienbaar moet zijn geweest. Voorts is door de Staatssecretaris noch ter zitting, waar hij zich niet heeft doen vertegenwoordigen, noch bij gelegenheid van de heropening van het onderzoek een toelichting op deze punten verschaft.

2.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslissing op bezwaar onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert. De beslissing is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De beslissing kan derhalve niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8. Het hoger beroep is mitsdien gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen, door alsnog het beroep gegrond te verklaren en de beslissing op bezwaar te vernietigen.

2.9. Er zijn termen voor een proceskostenveroordeling als hierna vermeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 8 juli 1999, WET 981199-KRD;

II. verklaart het beroep alsnog gegrond;

III. vernietigt alsnog het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 december 1997, S18/MB/403;

IV. draagt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (girorekening Raad van State 507590 onder vermelding van het zaaknummer);

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 565,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zijlstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2000

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,