Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199900558/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

199900558/1.

Datum uitspraak: 20 september 2000.

Afdeling

bestuursrechtspraak

Uitspraak in het geding tussen:

1. Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. te Assen,

2. de Minister van Economische Zaken te Den Haag,

3. de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat

4. Stichting Waterrecreatie IJsselmeer en Randmeren te Lelystad,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Friesland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 1996 heeft de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat, op voorstel van burgemeester en wethouders van 2 januari 1996, vastgesteld het bestemmingsplan "IJsselmeer".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aangehecht.

Bij besluit van 22 augustus 1996, kenmerk MO/96-8861/B2, hebben verweerders beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 26 oktober 1998, no. E01.96.0445, dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Deze uitspraak is aangehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 22 april 1999, kenmerk MO/99-17362 B4, opnieuw beslist over de goedkeuring van de vernietigde onderdelen van hun besluit van 22 augustus 1996.

Het besluit van 22 april 1999 is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 7 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 1999, appellant sub 2 bij brief van 6 juli 1999, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 1999, appellante sub 3 bij brief van 30 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 1999, en appellante sub 4 bij brief van 15 juli 1999, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 1999, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 december 1999 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 2 en 4. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2000, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door J. Zeilemaker, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Veltman en ir. R.A.C.M. Bonnier, appellante sub 3, vertegenwoordigd door H. Brouwer, appellante sub 4, vertegenwoordigd door R. Steensma, en verweerders, vertegenwoordigd door drs. A.J.J. Hoks, zijn verschenen.

Namens de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat is verschenen H. Brouwer.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447). Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. en Minister van Economische Zaken

2.2. Het plan heeft betrekking op het gedeelte van het IJsselmeer dat ligt in de gemeente Gaasterlân-Sleat. De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. en de Minister van Economische Zaken hebben - kort samengevat - bezwaar tegen het uitsluiten van olie- en gaswinning en het verrichten van proefboringen in het plangebied. Verweerders hebben goedkeuring gehecht aan de daartoe strekkende planvoorschriften.

2.3. Artikel 3 van de planvoorschriften bevat een beschrijving in hoofdlijnen. Ingevolge onderdeel 3.1.7 van dit artikel is het zoeken naar en het winnen van diepe delfstoffen ongewenst. Niettemin kan als toelaatbare functie, onder bepaalde voorwaarden wel het zoeken naar diepe delfstoffen worden toegestaan in de vorm van seismologisch onderzoek. Dit met name als dit noodzakelijk is voor de winning op land.

Ingevolge artikel 9, lid A, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemmingen.

Artikel 4 ziet op de bestemming "IJsselmeer". Ingevolge artikel 4, lid F, aanhef en onder 1, wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 9 lid A, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor het zoeken naar en het winnen van diepe delfstoffen.

Ingevolge artikel 4, lid G, kunnen burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid F en toestaan dat de gronden worden gebruikt voor het zoeken naar diepe delfstoffen, voorzover dit betreft seismologisch onderzoek.

2.4. Blijkens de plantoelichting is het in het plan neergelegde beleid gebaseerd op het Interprovinciaal Beleidsplan IJsselmeer, dat in 1993 door provinciale staten van Friesland, Flevoland en Noord-Holland is vastgesteld. Voorts wordt in de plantoelichting verwezen naar het Basisplan IJsselmeer dat in 1992 door de gemeenten van de Vereniging van Zuiderzeegemeenten is opgesteld.

2.4.1. In het Interprovinciaal Beleidsplan IJsselmeer wordt over olie- en gaswinning, voorzover hier van belang, het volgende gesteld (p. 27):

"Vanwege de grote gevolgen die, nimmer geheel uit te sluiten, calamiteiten kunnen hebben voor de waterkwaliteit en daarmee voor de functies (drink)watervoorziening, natuur, recreatie en beroepsvisserij wordt olie- en gaswinning in het IJsselmeer uitgesloten. Ook proefboringen zijn daarom niet mogelijk."

In het Basisplan IJsselmeer wordt gesteld dat het beleid in het Interprovinciaal Beleidsplan IJsselmeer richtinggevend is voor het basisplan en in het planologisch beleid wordt uitgewerkt (p. 43). Hetgeen in het Basisplan IJsselmeer wordt gesteld over boringen ten behoeve van de opsporing en winning van olie en gas (p. 21-22, 84-85, 44, 89 en 96) stemt overeen met het daarover in het Interprovinciaal Beleidsplan IJsselmeer opgenomen verbod. Voorts bevat het Basisplan IJsselmeer hierover model-planvoorschriften, die ongewijzigd in het voorliggende bestemmingsplan zijn overgenomen.

2.5. Met het in het bestemmingsplan neergelegde absolute boorverbod wordt afgeweken van het rijksbeleid, dat - kort samengevat - inhoudt dat booractiviteiten niet bij voorbaat worden uitgesloten, maar afhankelijk worden gesteld van een beoordeling per concreet project, ook in gebieden die vanuit een oogpunt van natuur- en milieubescherming gevoelig zijn, zoals het IJsselmeer. De gemeenten rondom het IJsselmeer en de provincies Friesland, Flevoland en Noord-Holland voeren op dit punt, zoals hiervoor aangegeven, een gemeenschappelijk beleid. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is dit beleid bewust strenger dan het rijksbeleid. Verweerders hebben in dit verband gesteld dat over de eventuele planologische aanvaardbaarheid van boringen eerst een oordeel kan worden gegeven nadat voor een concreet boorproject op een bepaalde locatie een milieu-effectrapport is gemaakt. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was daarvan evenwel geen sprake. Wanneer op grond van een uitgevoerde milieu-effectrapportage ten behoeve van een specifiek boorproject zou blijken dat deze activiteit verenigbaar is met de natuur- en overige belangen van het in geding zijnde gebied, kan op dat moment eventueel een planherziening plaatsvinden, waaraan gedeputeerde staten alsdan goedkeuring kunnen verlenen, aldus verweerders.

2.6. In haar uitspraak van heden, no. E01.96.0333, heeft de Afdeling over het in het streekplan Noord-Holland-Noord neergelegde verbod van boringen naar olie en gas in onder meer het IJsselmeer, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

"2.7.9. In het hiervoor beschreven stelsel van wettelijke rijksregelingen is de verlening van boorvergunningen op grond van de WOD en concessies op grond van de Mijnwet 1810/1903 een bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken. Ook de goedkeuring van op basis van verleende boorvergunningen en concessies ingediende plannen tot het uitvoeren van boringen of het plaatsen van winningsinstallaties (het zogenaamde locatiebesluit), berust bij deze minister.

Het uitvoeren van een boring of het plaatsen van een winningsinstallatie in een gevoelig gebied als bedoeld in het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is afhankelijk van de goedkeuring van deze minister.

De verplichting tot het verrichten van een milieu-effectrapportage ten aanzien van het opsporen en winnen van aardolie en aardgas is in het beschreven stelsel primair gekoppeld aan het locatiebesluit van de Minister van Economische Zaken. Uit het Besluit milieu-effectrapportage 1994 blijkt dat de amvb-gever deze activiteiten ook in gebieden die vanuit een oogpunt van natuur- en milieubescherming kwetsbaar zijn (de gevoelige gebieden) niet bij voorbaat heeft willen uitsluiten, maar afhankelijk heeft gesteld van een beoordeling per concreet project, waarvoor een mileu-effectrapport dient te worden gemaakt.

Uit het beleid, neergelegd in de VINEX en het SGR, blijkt dat ook de rijksoverheid een beoordeling per concreet geval voorstaat, ook in gevoelige gebieden. Dit is slechts anders voor het niet in concessie uitgegeven deel van de Waddenzee, dat blijkens de PKB-Waddenzee en artikel 2a van de WOD van boorwerken ten behoeve van de opsporing en winning van diepe delfstoffen gevrijwaard dient te blijven.

"2.7.10. Blijkens het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting voeren verweerders door in de in het streekplan genoemde gebieden boringen volledig uit te sluiten, bewust een beleid dat afwijkt van het rijksbeleid. Zij zijn van mening dat over de eventuele planologische toelaatbaarheid van boringen in deze gebieden eerst een oordeel kan worden gegeven nadat voor een concreet boorproject op een bepaalde plaats een milieu-effectrapport is gemaakt. Ten tijde van het vaststellen van het streekplan en het nemen van het bestreden besluit was daarvan evenwel nog geen sprake. Wanneer verweerders op grond van een uitgevoerde milieu-effectrapportage ten behoeve van een specifiek in een locatiebesluit genoemd boorproject tot de conclusie komen dat dit geen aantasting oplevert van de in het provinciale beleid te beschermen waarden - in het bijzonder drinkwatervoorziening, ecologische, recreatieve en visserijbelangen - zijn zij bereid een herziening van het streekplan te overwegen. Op deze wijze wordt aangesloten bij het rijksbeleid dat boringen per concreet geval worden beoordeeld, aldus verweerders.

"2.7.11. Gelet op het voorgaande dient de vraag te worden beantwoord of het rechtens aanvaardbaar is dat het streekplan boringen naar olie en gas in genoemde gebieden geheel verbiedt, terwijl bij of krachtens de wet - in dit geval de WOD, de Mijnwet 1810/1903 en de daarop berustende regelingen, alsmede het Besluit milieu-effectrapportage 1994 - een regeling geldt die er, kort gezegd, op neerkomt dat de toelaatbaarheid van zulke boringen van geval tot geval wordt beoordeeld aan de hand van de in de bedoelde wettelijke rijksregelingen gegeven criteria.

"2.7.11.1. De Afdeling overweegt dat het op zichzelf niet in strijd is met het beschreven stelsel indien in een streekplan gebieden worden aangewezen waar boringen geheel worden verboden met het oog op ruimtelijk relevante belangen. Daarbij zal het echter moeten gaan om andere belangen dan die welke reeds aan de orde zijn in het kader van genoemde wettelijke rijksregelingen, en waarvoor de Minister van Economische Zaken is aangewezen als bevoegd gezag. Zo niet, dan zou de toepassing van die regelingen bij voorbaat zinledig zijn, omdat provinciale staten op grond van een afweging van dezelfde belangen een absoluut boorverbod in een streekplan hebben opgenomen. Dat zou, in aanmerking nemend dat genoemde wettelijke rijksregelingen boringen niet bij voorbaat uitsluiten, een onaanvaardbare doorkruising van de toepassing van die regelingen betekenen en daarmee in strijd zijn met het stelsel van die regelingen.

"2.7.11.2. Uit het streekplan blijkt dat het boorverbod in het merendeel van de van boringen te vrijwaren gebieden is opgenomen ter bescherming van de belangen van natuur en landschap, waterwinning en milieu. Wat betreft het IJssel- en Markermeer is het verbod opgenomen vanwege de gevolgen van een calamiteit voor de waterkwaliteit en daarmee voor de functies (drink)watervoorziening, natuur, recreatie en beroepsvisserij.

De Afdeling overweegt dat deze belangen reeds aan de orde komen in genoemde wettelijke rijksregelingen. Daarbij kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat in gebieden die zijn aan te merken als gevoelig gebied als bedoeld in bijlage A van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 - het merendeel van de in het streekplan als van boringen te vrijwaren aangewezen gebieden - op grond van dit Besluit de verplichting bestaat voor concrete boorprojecten een milieu-effectrapport op te stellen. Voorts moet een plan voor zo een project krachtens voornoemde ministeriële Regeling goedgekeurd worden door de Minister van Economische Zaken (het locatiebesluit). De minister dient deze goedkeuring te weigeren indien het belang van de milieubescherming onvoldoende is verzekerd. Bij het nemen van een locatiebesluit moet derhalve betrokken worden de aantasting die het voorgenomen boorproject oplevert van milieubelangen. Daartoe behoren - blijkens onder meer de in de bijlage A van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 genoemde categorieën gevoelige gebieden - ook de belangen van natuur en landschap en waterwinning, alsmede de gevolgen van een eventuele calamiteit voor de waterkwaliteit.

In gebieden die geen gevoelig gebied zijn als bedoeld in het Besluit milieu-effectrapportage 1994, geldt voor een concreet boorproject geen mer-plicht op grond van dit Besluit. Krachtens voornoemde ministeriële Regeling behoeft een plan voor een boorproject in deze gebieden niet de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken. De Afdeling overweegt dat in deze regelingen het milieubelang, met inbegrip van de belangen van natuur en landschap, waterwinning en waterkwaliteit, aan de orde is gekomen, in die zin dat in algemene zin is geoordeeld dat dit belang niet bij voorbaat noopt tot een beoordeling van concrete boorprojecten.

"2.7.11.3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het in het streekplan opgenomen boorverbod - behoudens voorzover dit ziet op de Waddenzee - in strijd is met het stelsel van de WOD, de Mijnwet 1810/1903 en de daarop berustende regelingen, alsmede het Besluit milieu-effectrapportage 1994, nu dit verbod uitsluitend is opgenomen met het oog op de bescherming van dezelfde belangen als die welke reeds aan de orde zijn in het kader van die wettelijke rijksregelingen. Het feit dat het boorverbod in het IJssel- en Markermeer mede is ingegeven door de belangen van recreatie en beroepsvisserij doet hier niet aan af, nu het blijkens de streekplantekst hierbij in feite gaat om het belang van de waterkwaliteit.

"2.7.11.4. Verweerders hebben gesteld dat het streekplan eventueel kan worden herzien, indien uit een milieu-effectrapportage blijkt dat een concreet boorproject geen onaanvaardbare risico's oplevert voor de door het streekplan beschermde belangen. Dit argument moet worden verworpen, nu het hier gaat om de beoordeling van het thans voorliggende streekplan.

"2.7.11.5. Ten slotte hebben verweerders gesteld dat het boorverbod in het streekplan is gebaseerd op de Interprovinciale Beleidsplannen voor IJsselmeer (1993) en Markermeer (1994), die volgens hen dezelfde status hebben als het streekplan. De Afdeling verstaat dit, gelet op het ter zitting verhandelde, aldus dat verweerders hiermee willen betogen dat zij gehouden waren in het streekplan hetzelfde beleid neer te leggen als in de Interprovinciale Beleidsplannen. Die plannen zijn echter documenten die niet op enige wettelijke regeling berusten, en waarbij verweerders zich vrijwillig hebben gebonden jegens andere provinciebesturen. Zo daaruit al enige binding rechtens voortvloeit, kan die in elk geval niet worden ingeroepen jegens degenen die geen partij zijn bij deze documenten. Reeds hierom kan dit argument niet worden aanvaard."

2.7. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat ook het in artikel 3.1.7 en artikel 4, lid F, aanhef en onder 1, van de voorschriften van het voorliggende bestemmingsplan neergelegde verbod van boringen ten behoeve van de opsporing en winning van diepe delfstoffen, in strijd is met het stelsel van de Wet Opsporing Delfstoffen, de Mijnwet 1810/1903 en de daarop berustende regelingen, alsmede het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Ook zijn artikel 3.1.7 en artikel 4, lid G, van de planvoorschriften, voor zover deze voorschriften een verbod van seismologisch onderzoek ten behoeve van de opsporing en winning van diepe delfstoffen met zich brengen, in strijd met dit wettelijk stelsel. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het seismologische onderzoek en de (proef)boringen naar diepe delfstoffen in onderlinge samenhang moeten worden bezien.

2.7.1. Gelet op het vorenstaande is de goedkeuring van artikel 3.1.7, artikel 4, lid F, aanhef en onder 1 en artikel 4, lid G, van de planvoorschriften in strijd met voornoemd wettelijk stelsel. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht goedkeuring te onthouden aan deze planvoorschriften.

De beroepen van appellanten sub 1 en 2 zijn gegrond.

Gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat en Stichting Waterrecreatie IJsselmeer en Randmeren

2.8. De gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat en de Stichting Waterrecreatie IJsselmeer en Randmeren keren zich tegen de onthouding van goedkeuring aan de in het plan voorziene mogelijkheid tot het herstel van de voormalige Tacozijlverbinding door middel van het uitdiepen van de dichtgeslibde vaargeul naar Tacozijl.

2.9. Ingevolge artikel 4, lid E, sub 1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) voorzover het betreft de gronden, die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding natuurgebied, werkzaamheden uit te voeren in de vorm van het dempen, graven, verdiepen en verbreden van watergangen of geulen.

In artikel 3, de beschrijving in hoofdlijnen, is opgenomen figuur 1, Natuurontwikkeling: zonering recreatie en natuur. In deze figuur is opgenomen de aanduiding "recreatieve vaarverbinding".

In artikel 3, onderdeel 3.1.4, is bepaald dat buiten het ontwikkelingsgebied voor extensieve recreatie ook het uitdiepen of betonnen van (bestaande) vaargeulen ten behoeve van de recreatievaart kan worden toegestaan, evenals het aanbrengen van route-aanduidingen. Dit zijn dan ondergeschikte activiteiten. De dichtgeslibde vaargeul naar Tacozijl kan opnieuw worden uitgediept.

2.10. In hun besluit van 22 augustus 1996 hebben verweerders goedkeuring onthouden aan de aanduiding "recreatieve vaarverbinding" in figuur 1 van artikel 3 van de planvoorschriften en aan de zin "De dichtgeslibde vaargeul naar Tacozijl kan opnieuw worden uitgediept" in artikel 3, onderdeel 3.1.4. van de planvoorschriften.

In haar uitspraak van 26 oktober 1998 heeft de Afdeling deze onthoudingen van goedkeuring vernietigd. Zij heeft daartoe als volgt overwogen:

"Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan de in het plan neergelegde mogelijkheid de voormalige Tacozijlverbinding te herstellen, omdat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog onvoldoende zicht was op realisatie ervan binnen de planperiode. Ter motivering hiervan hebben zij aangevoerd dat het herstel van de verbinding onderdeel uitmaakt van hun beleid, maar dat dit geen prioriteit heeft. Voorts achten zij van belang dat voor het gebied de Natuurbeschermingswet van kracht is en de op grond van deze wet in verband met het realiseren van de vaargeul te volgen procedures tijd zullen vergen. Een partiële planherziening is naar de mening van verweerders de aangewezen procedure.

De Afdeling is van oordeel dat verweerders in het bestreden besluit onvoldoende tot uitdrukking hebben gebracht wat hun planologische argumenten zijn voor het onthouden van goedkeuring aan de in het plan neergelegde mogelijkheid om de Tacozijlverbinding te herstellen. Ter zitting hebben verweerders nog naar voren gebracht dat de Tacozijlverbinding nog in geen enkel provinciaal plan is opgenomen. Dit argument en de stelling dat er ook een vergunning vereist is krachtens de Natuurbeschermingswet vormen in dit verband geen afdoende motivering voor de onthouding van goedkeuring.

Het vorengaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel is genomen in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dat een beslissing moet worden gedragen door een daaraan ten grondslag gelegde en voor betrokkenen kenbare motivering."

2.11. In het thans bestreden besluit hebben verweerders opnieuw goedkeuring onthouden aan voornoemde passages uit de planvoorschriften.

Zij hebben daartoe aangevoerd dat de beoogde Tacozijlverbinding loopt door een natuurgebied dat krachtens de Natuurbeschermingswet is aangewezen als beschermd natuurmonument. Ook is dit gebied in het streekplan Friesland 1994 aangemerkt als natuurgebied. Nu het gebied tevens deel uitmaakt van een kerngebied van de ecologische hoofdstructuur, het IJsselmeer, achten verweerders als interpretatie van het streekplanbeleid voor dit natuurgebied de beschermingsformule uit het Structuurschema Groene Ruimte van toepassing. Dit betekent, aldus verweerders, dat een afweging moet worden gemaakt tussen enerzijds de mogelijke aantasting van natuurlijke waarden en anderzijds het maatschappelijke belang dat met de nieuwe vaargeul is gemoeid.

In dit verband hebben verweerders overwogen dat in deze ondiepe wateren in de nazomer, herfst en winter tienduizenden watervogels voorkomen. Doorsnijding met een recreatieve vaargeul betekent verlies aan ondiepe gronden waar voedsel kan worden gezocht en betekent in het naseizoen een verstoring van het rustgebied over een veel groter oppervlak dan de vaargeul. Om deze redenen is het gebied aangewezen als natuurmonument en is het voorgedragen als Vogelrichtlijngebied.

Voorts hebben zij gewezen op het op 30 maart 1999 vastgestelde Provinciaal verkeers- en vervoersplan, waarin herstel van de Tacozijlverbinding wordt afgewezen. De bestaande uitvalspoorten naar het IJsselmeer hebben nog voldoende capaciteit, zodat uitbreiding niet noodzakelijk is. Bij de Prinses Margrietsluis kan een extra sluis worden gerealiseerd voor de beroepsvaart, waardoor de bestaande sluis een functie krijgt voor de beroeps- en recreatievaart. Er volgt nog nader onderzoek naar de wenselijkheid van een parallelvaarroute naar de Brekken voor de recreatievaart. Herstel van de Tacozijlverbinding is duur qua investering en exploitatielasten. Ten slotte biedt deze verbinding geen oplossing voor het oponthoud voor het wegverkeer bij bruggen, omdat nog steeds de provinciale weg Balk-Lemmer moet worden gekruist.

Op grond van deze overwegingen hebben verweerders in het bestreden besluit geconcludeerd dat het maatschappelijke belang van de vaargeul onvoldoende zwaarwegend is om met de geschetste aantasting van natuurlijke waarden in planologisch opzicht te kunnen instemmen.

2.12. Appellanten hebben in beroep aangevoerd dat het belang van de natuurlijke waarden in het gebied niet opweegt tegen de grote maatschappelijke belangen die met de Tacozijlverbinding zijn gemoeid. Door de toename van de beroepsvaart en de ontwikkelingen in de recreatievaart ontstaan in het Prinses Margrietkanaal steeds meer capaciteitsproblemen en doen zich regelmatig onveilige situaties voor. Een vergroting van de Prinses Margrietsluis lost deze problemen op de aan- en afvoerroutes niet op. Daarnaast is de Tacozijlverbinding van groot economisch en toeristisch belang, omdat hierdoor een kortere route ontstaat tussen de Friese meren en het IJsselmeer. Met name de watersportaccomodaties in Balk en Sloten krijgen hierdoor een gunstiger ligging.

De verstoring van de natuurlijke waarden in het gebied door de vaargeul zal volgens appellanten gering zijn. Het vaarverkeer zal ten gevolge van de geringe diepgang niet intensief zijn. Trekvogels zijn met name in het winterseizoen aanwezig, wanneer nauwelijks sprake is van recreatievaart. Bovendien ligt de beoogde vaarroute vrijwel op de grens van het natuurmonument. Appellanten verwachten dat over een aanpassing van de begrenzing van het natuurmonument ten dienste van de vaarroute dan wel het toestaan van een vaargeul door het natuurmonument overeenstemming kan worden bereikt met het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Ten slotte stellen appellanten dat de vermelding in het bestemmingsplan niet meer betekent dan dat de planologische belemmeringen voor de Tacozijlverbinding worden weggenomen. Voor het uitdiepen van de vaargeul is een aanlegvergunning nodig en voor de feitelijke uitvoering van de vaarroute moeten nog diverse procedures worden doorlopen in het kader waarvan op zorgvuldige wijze met alle betrokken belangen rekening kan worden gehouden.

2.13. De Afdeling overweegt dat verweerders in het bestreden besluit zijn ingegaan op de natuurlijke waarden van het gebied waardoor de vaargeul loopt en de inbreuk die hierop door het recreatief gebruik daarvan wordt gemaakt. Deze waarden genieten een bijzondere bescherming, nu het gebied is aangewezen als beschermd natuurmonument krachtens de Natuurbeschermingswet en deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur in de zin van het Structuurschema Groene Ruimte.

Voorts is het gebied op 6 mei 1998 door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979).

De Afdeling is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerders, in het licht van het voor het gebied geldende beschermingsregime, op grond van de in hun bestreden besluit genoemde argumenten niet in redelijkheid goedkeuring aan voornoemde passages uit de planvoorschriften hebben kunnen onthouden.

De beroepen van appellanten sub 3 en 4 zijn derhalve ongegrond.

2.14. De Afdeling acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellanten sub 1 en 2, nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen. Ten aanzien van appellanten sub 3 en 4 zijn hiervoor geen termen aanwezig, nu deze beroepen ongegrond zijn.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 3 en 4 ongegrond;

II. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Friesland van 22 april 1999, kenmerk MO/99-17362 B4, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.1.7, artikel 4, lid F, aanhef en onder 1 en artikel 4, lid G, van de voorschriften van het op 9 januari 1996 door de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat vastgestelde bestemmingsplan "IJsselmeer";

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III genoemde voorschriften;

V. gelast dat de provincie Friesland aan appellanten sub 1 en 2 het

voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (ieder

f 450,-) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. A. Kosto en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigdheid van dr. E. Dijt, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Dijt

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2000.

145.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,