Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2000
Datum publicatie
20-03-2006
Zaaknummer
199900214/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigenaar van percelen waarvoor bouwvergunningen zijn aangevraagd heeft geen rechtstreeks, maar slechts een afgeleid belang bij besluit de aanvragen niet in behandeling te nemen.

Aanvragen om bouwvergunningen voor oprichting varkensstallen niet in behandeling genomen. Appellant sub 2 heeft geen van de aanvragen ingediend. Als zijn belang heeft hij gesteld dat hij eigenaar is van de percelen waarop appellant sub 1, die de bouwvergunningen heeft aangevraagd, beoogt te gaan bouwen. Voorts zal hij samen met appellant sub 1 de varkenstallen exploiteren. Bij het besluit een aanvraag om bouwvergunning niet in behandeling te nemen is uitsluitend het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken. Het door appellant sub 2 gestelde belang is slechts een afgeleid belang.

Burgemeester en wethouders van Sas van Gent, verweerder.

mrs. J.H. Grosheide, C. de Gooijer, C.A. Terwee-van Hilten

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2000-7132, 10
JB 2000/274 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199900214/1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. A te B,

2. C te D,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 9 april 1999 in het geding tussen onder meer:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Sas van Gent.

1 . Procesverloop

Bij besluiten van 23 december 1997 hebben burgemeester en wethouders van Sas van Gent (hierna: burgemeester en wethouders) de aanvragen van appellant sub 1 om bouwvergunningen voor het oprichten van varkensstallen niet in behandeling genomen.

Bij besluiten van 8 april 1998 hebben burgemeester en wethouders de hiertegen door appellanten sub 1 en sub 2 gemaakte bezwaren respectievelijk ongegrond en niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 april 1999, verzonden op 14 april 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) de tegen deze besluiten door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 en sub 2 ieder bij brief van 21 mei 1999, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 1999, beroep ingesteld. Appellanten hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 23 juni 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2000, waar appellanten sub 1 en sub 2, vertegenwoordigd door mr J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg, en G.C. Dekker en mr P.Th.G. Claeijs, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1. Vast staat dat appellant sub 2 geen van de aanvragen voor een bouwvergunning bij burgemeester en wethouders heeft ingediend. Als zijn belang te dezen heeft hij gesteld dat hij de eigenaar is van de percelen waarop appellant sub 1, die deze bouwvergunningen wel heeft aangevraagd beoogt te gaan bouwen. Voorts heeft hij erop gewezen dat hij samen met appellant sub 1 de varkensstallen zal exploiteren en dat aan hem ten behoeve van de veehouderijen op zijn naam twee milieuvergunningen zijn verleend en vier geweigerd, tegen welke besluiten hij is opgekomen.

2.1.2. De rechtbank heeft op goede gronden en met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders het bezwaar van appellant sub 2 terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard. Bij het besluit een aanvraag om een bouwvergunning niet in behandeling te nemen is uitsluitend het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken. Het door appellant gestelde belang is slechts een afgeleid belang. Appellant is dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken.

2.2. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

2.2.1. Ingevolge artikel 2.1.3, aanhef en onder a, van de gemeentelijke bouwverordening - voor zover hier van belang - moeten bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning, met in achtneming van het bepaalde in bijlage 1, worden overgelegd een of meer tekeningen waaruit de lengte- en dwarsdoorsneden blijken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van bijlage 1 moeten de overgelegde tekeningen van de functie van elke ruimte of elke groep van bij elkaar behorende ruimten de aanduiding weergeven overeenkomstig het woordgebruik in het Bouwbesluit.

2.2.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant sub 1 ten behoeve van zijn aanvragen om een bouwvergunning tekeningen heeft overgelegd waarop niet de aanduidingen als voorgeschreven in het Bouwbesluit zijn aangegeven, alsook dat appellant met de overgelegde tekeningen niet heeft voldaan aan de in voornoemd artikel van de bouwverordening neergelegde eis dat daaruit de lengte- en dwarsdoorsnede blijkt. Deze tekeningen geven geen totaalbeeld van de constructie, zodat onder meer de situering en de maatvoering van de brandmuren alsmede de hoogte van de binnenmuren onduidelijk blijven. Terecht heeft de rechtbank burgemeester en wethouders dan ook bevoegd geacht de aanvragen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te laten.

2.2.3. Met de rechtbank is de Afdeling ten slotte van oordeel dat burgemeester en wethouders in redelijkheid van de hun toekomende bevoegdheid gebruik hebben kunnen maken. De aan de bouwaanvragen klevende gebreken zijn essentieel. Terecht wijst de rechtbank erop dat door het ontbreken van de ingevolge het Bouwbesluit vereiste terminologie niet kan worden vastgesteld of de ruimten voldoen aan de bouwtechnische voorschriften en dat zulks evenzeer geldt met betrekking tot het ontbreken van een totaalbeeld van de constructie van de te bouwen stallen.

2.2.4. De Afdeling deelt niet de opvatting van appellant sub 1 dat bij de brieven van burgemeester en wethouders van 17 november 1997, waarbij hij - onder meer - op de hiervoor aangegeven gebreken is gewezen en in de gelegenheid is gesteld binnen de daarbij vermelde termijn de ontbrekende gegevens toe te zenden, in onvoldoende mate duidelijk is gemaakt dat het ontbreken van die gegevens tot het niet in behandeling nemen van de bouwaanvragen zou kunnen leiden. In deze brieven is immers uitdrukkelijk op artikel 4:5 van de Awb gewezen. Dat de tekst van dit artikel niet is weergegeven doet daaraan niet af.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. Grosheide, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. C.A. Terwee~van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. D.A. Verburg, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van de

ambtenaar van Staat:

w.g. Grosheide w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2000

236-47.

Verzonden: