Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA7032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.97.0607.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

H01.97.0607.

Datum uitspraak: 19 juni 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant] Holland B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 14 maart 1997 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1 . Procesverloop

Bij facturen van 10 augustus, 4 oktober, 18 oktober, 30 november en 28 december 1993 heeft de - onder de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) ressorterende - Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) appellante de kosten van werkzaamheden, verricht in verband met keuringen (hierna: keurlonen) van voor de export bestemde vleesproducten, in rekening gebracht.

Hiertegen heeft appellante - die door de Vereniging voor de Nederlandse Vleeswarenindustrie is aangewezen voor het voeren van een proefprocedure - bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 augustus 1994 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Staatssecretaris) de bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 maart 1997, verzonden op 25 maart 1997, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam ingestelde en nadien doorgezonden beroep, voor zover bij dat besluit het bezwaar tegen de factuur van 30 november 1993 ontvankelijk is geacht, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 5 mei 1997, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 1997, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juni 1997. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 december 1997 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 1998, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en mr. K.J. Defares, advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. L.A.D. Keus, mr. A.C.M. Braams en mr. G.R.J. de Groot, allen advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 15 juni 1999, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. K.J. Defares, voornoemd, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. L.A.D. Keus en mr. A.C.M. Braams, voornoemd, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, uitsluitend voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

2.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid en tweede lid (oud), van de Vleeskeuringswet zijn slachtdieren vóór en ná het slachten, en gestorven of in nood gedode slachtdieren ná het slachten, aan keuring onderworpen.

In artikel 26a (oud), eerste lid, van de Vleeskeuringswet is onder meer bepaald dat ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet een vergoeding wordt geheven overeenkomstig een door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur vastgesteld tarief. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn aan de heffing bedoeld in het eerste lid onderworpen diegenen die een slachtdier laten keuren ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid.

In artikel 50, eerste lid, van de Vleeskeuringswet is onder meer bepaald dat deze wet niet van toepassing is op slachtdieren, welke krachtens de bepalingen van de Veewet ter keuring worden aangeboden en op vlees, hetwelk is goedgekeurd krachtens de Veewet en naar het buitenland wordt uitgevoerd. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat zodra bij keuring krachtens de Veewet vlees niet voor uitvoer naar het buitenland geschikt wordt bevonden, het verder wordt onderworpen aan keuring volgens de voorschriften van deze wet, welke dan op dit vlees van toepassing is. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat indien vlees is voorzien van een merk als bedoeld in artikel 68 van de Veewet en niet naar het buitenland wordt uitgevoerd, het wordt geacht te zijn goedgekeurd krachtens artikel 12 van de Vleeskeuringswet ten bewijze waarvan een merk als bedoeld in artikel 16 van die wet wordt aangebracht.

Ingevolge artikel 69 van de Veewet, voor zover hier van belang, is, voor zover de Minister niet anders bepaalt, het verboden vleesproducten uit te voeren, tenzij de zending overeenkomstig door hem gestelde regelen is voorzien van een of meer bewijsstukken, aangebracht of afgegeven op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek, ten bewijze dat is voldaan aan de met het oog op de uitvoer door hem gestelde eisen.

Ingevolge artikel 73 (oud) van de Veewet, voor zover hier van belang, wordt ter zake van een onderzoek van Rijkswege, als bedoeld in de artikelen 67-69, vergoeding van kosten geheven overeenkomstig een door de Minister vastgesteld tarief.

Dit tarief is - voor de hier relevante periode van 1 juni 1993 tot 1 januari 1994 - geregeld in de op 1 juni 1993 in werking getreden Regeling tarieven keuring vlees en vleesprodukten, als nadien gewijzigd (hierna: de Regeling; Stcrt. 1993, nos. 99, 111, 121, 164 en 208). De Regeling is gebaseerd op artikel 73 van de Veewet, artikel 26a van de Vleeskeuringswet alsmede artikelen van de Landbouwwet.

2.3 In artikel 6 van de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor werkzaamheden binnen openingstijd ter zake van een krachtens artikel 13 van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 aan het vereiste van een erkenning of een vergunning onderworpen inrichting, de eigenaar, het hoofd of de bestuurder een vergoeding is verschuldigd bestaande uit een starttarief van f 25,-- en een bedrag van f 22,50 per kwartier per met de werkzaamheden belaste persoon van de RVV.

In artikelen 7 en 8 van de Regeling zijn voor daarin bepaalde gevallen extra vergoedingen voorgeschreven.

2.4 Volgens vaste bestuurspraktijk, die de instemming van de Staatssecretaris had, heeft de RVV appellanten op grond van de Regeling, en overeenkomstig de daarin vastgestelde tarieven, in samenhang met artikel 69 van de Veewet door middel van facturen keurlonen in rekening gebracht.

Deze facturen zijn aan te merken als namens de Staatssecretaris genomen, beroepbare beschikkingen in de zin van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (hierna: Wet arob). Ten aanzien van deze beschikkingen en de beslissing op de bezwaarschriften, waarbij deze zijn gehandhaafd, is ingevolge het overgangsrecht bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het recht van vóór de inwerkingtreding van de Awb van toepassing.

Omtrent deze bestuurspraktijk en de mandaatsverhouding tussen de RVV en de Staatssecretaris, die weliswaar niet bij een schriftelijk mandaatsbesluit is vastgesteld doch die mede kan worden afgeleid uit de regelingen die de positie en de bevoegdheden van de RVV betreffen, bestond noch bij de RVV noch bij appellanten onduidelijkheid. De Staatssecretaris heeft de primaire beschikkingen voor zijn rekening genomen. Nu ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet arob een bezwaarschrift dient te worden ingediend bij het administratief orgaan tegen wiens beschikking het bezwaar is gericht, heeft de rechtbank, zij het impliciet, terecht geoordeeld dat de Staatssecretaris bevoegd was inhoudelijk te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de facturen. Het vanaf 1 januari 1998 ingevolge artikel 10:5, tweede lid, van de Awb geldende vereiste dat een algemeen mandaat schriftelijk wordt verleend, maakt dat niet anders.

Appellante heeft zich vooreerst op het standpunt gesteld dat de Regeling onverenigbaar is met het Europese gemeenschapsrecht.

Zij heeft betoogd dat de kosten van handhaving van het stelsel van keuringen en sanitaire controles van vleesproducten, omdat dit stelsel in het algemeen belang en ter bevordering van het vrije goederenverkeer is opgelegd en de keurloonheffingen destijds niet op specifieke gemeenschapsvoorschriften berustten, ten laste van de openbare middelen dienen te komen. Voor zover dit anders zou zijn, is zij van mening dat sprake is van een door artikel 12 (thans: 25) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag) verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht, aangezien niet is voldaan aan de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) voor het aannemen van een uitzondering op dat verbod geformuleerde voorwaarde van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen het bedrag van de vergoeding en de concrete keuring waarvoor de vergoeding wordt gevraagd. Zij acht de gehanteerde berekeningsmethodiek, wat betreft het tijdstarief evenals het starttarief, in strijd met het gemeenschapsrecht. In dit verband heeft zij onder meer gewezen op jurisprudentie van het Hof van Justitie en tevens naar voren gebracht dat bij de berekening van het tarief ten onrechte ook niet direct aan de keuringen gerelateerde kosten zijn meegenomen, zoals algemene administratiekosten en kosten die zijn toe te rekenen aan de sectoren vis en tuinbouw.

Voorts heeft appellante zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Zij heeft onder meer naar voren gebracht dat voor vergelijkbare keuringswerkzaamheden aan door de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB) gecontroleerde bedrijven geen keurlonen in rekening worden gebracht en dat voor dergelijke werkzaamheden ook in de overige Lid-Staten geen keurlonen worden geheven. Dit verschil in behandeling met door de RVV gecontroleerde bedrijven is volgens haar op geen enkele wijze gerechtvaardigd en leidt tot ongewenste concurrentievervalsing, hetgeen in strijd is met het in artikel 40 (thans: 34), derde lid, van het EG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod en de daarmee verband houdende jurisprudentie van het Hof van Justitie.

2.6 In artikel 9 (thans: 23) van het EG-Verdrag is onder meer bepaald dat de Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten onderling.

In artikel 12 (thans: 25) van het EG-Verdrag is bepaald dat de LidStaten zich ervan onthouden onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de rechten en heffingen te verhogen welke zij in hun onderlinge handelsbetrekkingen toepassen.

In artikel 95 (thans: 90) van het EG-Verdrag is, voor zover hier van belang, bepaald dat de Lid-Staten op producten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard dan ook heffen dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven en dat bovendien de Lid-Staten op de producten van de overige Lid-Staten geen zodanige binnenlandse belastingen heffen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.

2.7 In richtlijn 9215/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 1992, tot wijziging en bijwerking van richtlijn 77/99/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesproducten alsmede tot wijziging van richtlijn 64/433/EEG (Pb EG L 57), zijn onder meer gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor de productie en het in de handel brengen van vleesproducten en andere producten van dierlijke oorsprong, waaronder gesmolten dierlijke vetten, die na behandeling bestemd zijn voor menselijke consumptie of de bereiding van andere levensmiddelen.

In verband daarmee zijn in die richtlijn door de Lid-Staten, onder meer vóór de verzending naar andere Lid-Staten, uit te voeren controles voorgeschreven.

In richtlijn 92/5/EEG noch in andere, voor de betrokken periode geldende, richtlijnen zijn ten aanzien van de financiering van de voorgeschreven controles van vleesproducten voorschriften gegeven. Voor de periode vanaf 1 januari 1994 is dit wel geschied bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van de Europese Unie tot wijziging van richtlijn 85/73/EEG inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee.

2.8 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie is iedere eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht de benaming of de structuur ervan, die wegens grensoverschrijding over goederen wordt geheven en geen douanerecht in eigenlijke zin is, een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 (thans: 23) en 12 (thans: 25) van het EG-Verdrag, omdat deze een belemmering vormt voor het goederenverkeer.

Zulk een last valt evenwel niet onder de kwalificatie als heffing van gelijke werking, indien deze de tegenprestatie vormt voor een aan de im- of exporteur werkelijk verleende dienst en evenredig is aan de kosten daarvan. Een dergelijke tegenprestatie wordt in het kader van het gemeenschapsrecht aangeduid als retributie. Keurlonen als de onderhavige behoren, gelet op constante jurisprudentie van het Hof van Justitie, echter niet tot die categorie Zulk een last valt evenmin onder die kwalificatie in geval van heffingen ter zake van sanitaire keuringen die krachtens een gemeenschapsvoorschrift vóór de verzending in de Lid-Staat van verzending, op uniforme wijze, moeten worden verricht en die niet onder de werkingssfeer van artikel 95 (thans: 90) van het EG-Verdrag vallen, mits het bedrag ervan de werkelijke kosten van de keuring terzake waarvan zij worden toegepast niet overschrijdt.

De kwalificatie als heffing van gelijke werking is ook niet van toepassing, indien de last deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor categorieën van producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong van de producten toegepaste criteria, en alsdan binnen de werkingssfeer van artikel 95 (thans: 90) van het EG-Verdrag valt, omdat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie de bepalingen betreffende heffingen van gelijke werking als bedoeld in de artikelen 9 (thans: 23) en 12 (thans: 25) van het EG-Verdrag en de bepalingen betreffende discriminerende binnenlandse belastingen als bedoeld in artikel 95 (thans: 90) van het EG-Verdrag niet cumulatief toepasselijk zijn, zodat eenzelfde heffing niet gelijktijdig tot beide categorieën kan behoren. Ook keurlonen als de onderhavige kunnen, blijkens onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 25 januari 1977, zaak 46/76 (Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5), onder de reikwijdte van laatstgenoemd artikel vallen.

2.9 Mede gelet op het vorenstaande, kan niet worden staande gehouden dat het opleggen van de onderhavige heffingen voor keurings- en controlewerkzaamheden, die door het gemeenschapsrecht dwingend en systematisch worden voorgeschreven, zonder meer niet zou zijn toegestaan. De door appellante genoemde arresten van het Hof van Justitie van 5 februari 1976, zaak 87/75 (Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129), 15 december 1993, gevoegde zaken C-277/91, C-318/91 en C-319191 (Ligur Carni/La Spezia, Jurispr. 1993, 1-6621) en 11 augustus 1995, zaak C- 16/94(Edouard Dubois et Fils, Jurispr. 199 5, 1-242 1 ) hebben betrekking op andere, niet vergelijkbare casusposities, waarin het niet ging om heffingen met betrekking tot door het gemeenschapsrecht voorgeschreven keuringen in de Lid-Staat van verzending. Zij kan aan die arresten dan ook geen argumenten van betekenis ontlenen voor haar standpunt dat de heffingen ten laste van de algemene middelen dienen te komen.

2.10 Vastgesteld dient te worden of de keurloonheffingen onder de werkingssfeer van artikel 12 (thans: 25) dan wel artikel 95 (thans: 90) van het EG-Verdrag vallen.

Zoals de Minister ter zitting heeft toegelicht, is hij - hoewel hij een andere zienswijze verdedigbaar acht - ervan uitgegaan dat de keurloonheffingen ten aanzien van vleesproducten niet onder de werkingssfeer van laatstgenoemd artikel vallen, omdat artikel 6 van de Regeling uitsluitend een wettelijke basis vindt in artikel 73 van de Veewet, dat op de uitvoer ziet, en niet in de Vleeskeuringswet, die de binnenlandse afzet regelt, zodat geen sprake is van een algemeen stelsel van belastingen in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, te meer niet nu niet alle vleesproductenbedrijven ook voor de export produceren.

De Afdeling acht dit standpunt juist.

2.11 Vervolgens dient beantwoord te worden de vraag of de keurlonen voldoen aan de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie geformuleerde voorwaarden voor het aannemen van een uitzondering op het in artikel 12 (thans: 25) van het EG-Verdrag vervatte verbod.

Appellante heeft met recht betoogd dat niet juist is de overweging van de rechtbank dat de heffingen geoorloofd zijn te achten, omdat het belang van de exporteur is gebaat bij de controles die dienen ter versoepeling van het tussenstaatse verkeer. Als hiervoor - in r.o. 2.8 - overwogen behoren keurlonen niet tot de categorie retributie in gemeenschapsrechtelijke zin.

2.12 Uit het vorenstaande volgt dat, nu in dit geval sprake is van heffingen terzake van sanitaire keuringen die krachtens een gemeenschapsvoorschrift, vóór de verzending in de Lid-Staat van verzending, op uniforme wijze, moeten worden verricht en die niet onder de werkingssfeer van artikel 95 (thans: 90) van het EG-Verdrag vallen, de keurlonen niet als heffingen van gelijke werking in de zin van artikel 12 (thans: 25) van het EG-Verdrag verboden zijn, mits het bedrag ervan de werkelijke kosten van de keuring terzake waarvan zij worden toegepast niet overschrijdt.

Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 1990, zaak CA 11/89 (Bakker Hillegom, Jurispr. 1990, blz. 1-1747), kan de voorwaarde dat het heffingsbedrag de werkelijke kosten van de keuring ter zake waarvan zij wordt toegepast, niet overschrijdt, enkel worden geacht te zijn vervuld, wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen het bedrag van de vergoeding en de concrete keuring waarvoor de vergoeding wordt gevraagd, omdat zonder een dergelijk verband niet met zekerheid zou kunnen worden vastgesteld of het bedrag van de vergoeding hoger is dan de werkelijke kosten van de betrokken verrichting. Daarbij heeft het Hof van Justitie overwogen dat zulk een rechtstreeks verband bestaat, wanneer het bedrag van de vergoeding wordt berekend aan de hand van de tijdsduur van de keuring, het aantal daarvoor ingezette personen, de materiaalkosten, de vaste kosten of eventuele andere soortgelijke factoren, hetgeen niet uitsluit dat kostenfactoren worden uitgedrukt in forfaitaire bedragen, bijvoorbeeld een vast uurtarief. Het Hof van Justitie heeft tevens overwogen dat een dergelijk rechtstreeks verband niet bestaat, wanneer het bedrag van de vergoeding wordt berekend aan de hand van het gewicht of de factuurwaarde van de geëxporteerde producten.

2.13 De RVV verricht keuringen en controles bij het slachten, het uitsnijden, de opslag, de productie en de in- en uitvoer van goederen in het kader van onder meer de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Vleeskeuringswet, de Veewet, de Warenwet en de Landbouwkwaliteitswet.

De in de Regeling gestelde tarieven voor 1993 zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte keuringskosten in het jaar 1991, zoals die kunnen worden afgeleid uit de rapporten "Evaluatie tarieven 1991 " van 30 maart 1992 en de "Nota tarieven RVV 1993/94" van 16 juli 1992, waarin het resultaat is neergelegd van onderzoek naar de kosten van de RVV. Uit die rapporten blijkt dat de forfaitaire bedragen niet hoog genoeg zijn om de reële keuringskosten te dekken.

Het tijdstarief voor vleesproducten is gebaseerd op de voor de RVV als geheel geldende gemiddelde kosten per medewerker per kwartier. Dit tarief is indicatief op uurbasis berekend door de totale kosten van de RVV, na aftrek van geschatte opbrengsten aan start- en bijzondere tarieven, te delen door het totaal aantal uren dat kan worden toegerekend aan concrete keuringswerkzaamheden in alle sectoren van de medewerkers die daarmee zijn belast. Het gemiddeld uurtarief bedraagt op basis van het kostenniveau voor de RVV als geheel voor het jaar 1991 f 98,--, en, indien de sectoren vis en tuinbouw buiten beschouwing worden gelaten, f 97,--.

Ondanks de stijging van het kostenniveau - volgens de Minister met ongeveer 6% - is voor het jaar 1993 uitgegaan van een gemiddeld uurtarief van f 90,--. Verder is niet gebleken dat de kosten van de diverse sectoren significant van elkaar verschillen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Minister aldus afdoende zekergesteld dat het uurtarief zich niet op een hoger niveau bevindt dan de in de onderhavige sector per uur gemaakte kosten van de keuringen van de RVV. Dat bij de bepaling van dit uurtarief de administratiekosten geen rol zouden mogen spelen ziet de Afdeling niet in. Voorts is door het hanteren van een tarief, waarbij per kwartier en slechts voor verrichtingen ter plaatse wordt betaald, een voldoende rechtstreeks verband - in de door het Hof van Justitie bedoelde zin - gelegd tussen het bedrag van de vergoeding en de keuring waarvoor de vergoeding wordt geheven. Dat daarbij bepaalde toeslagen worden berekend maakt dit niet anders, daar deze toeslagen worden geheven in situaties waarin aannemelijk is dat deze een extra kosten- en moeitebeslag leggen op de RVV (bijvoorbeeld bij keuringswerkzaamheden buiten de normale openingstijden) dan wel verband houden met de toereiskosten van de RVV (het starttarief). Niet valt in te zien op grond waarvan het hanteren van een forfaitair starttarief, waardoor nu juist de kosten aan een bedrijf waar een keuring wordt verricht, rechtstreeks worden toegerekend, niet zou zijn toegestaan. Forfaitaire bedragen zijn immers toegestaan. Ook overigens acht de Afdeling de gekozen berekeningsmethodiek niet rechtens onaanvaardbaar. Het door appellante genoemde arrest van het Hof van Justitie van 20 april 1992, gevoegde zaken C-71 en 178/91 (Ponente Carni, Jurispr. 1993, blz. 1-1915), waaruit het tegendeel zou moeten blijken, heeft betrekking op een andere, niet vergelijkbare casuspositie. Dat ook een andere berekeningsmethode gekozen had kunnen worden, leidt niet tot een ander oordeel.

2.14 Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de Afdeling het volgende.

2.15 In artikel 39 (thans: 33) van het EG-Verdrag zijn de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geformuleerd. In artikel 40 (thans: 34), tweede en derde lid, van het EG-Verdrag, voor zover hier van belang, is bepaald dat een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten zich moet beperken tot het nastreven van de in artikel 39 (thans: 33) genoemde doeleinden en elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap moet uitsluiten. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie gaat het hier om een verbod van discriminatie tussen producenten onderling of consumenten onderling, dat een bijzondere uitdrukking vormt van het, tot de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht behorende, algemene gelijkheidsbeginsel. Volgens dat beginsel mogen, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld.

De onderhavige, eenzijdig door Nederland opgelegde, keurloonheffingen maken geen onderdeel uit van de gemeenschappelijke ordening. Reeds daarom komt appellante een beroep op artikel 40 (thans: 34), derde lid, van het EG-Verdrag niet toe. Verder valt niet in te zien dat het gelijkheidsbedinsel met zich zou brengen dat een Lid-Staat vanuit het oogpunt van de concurrentiepositie van het nationale bedrijfsleven gehouden zou zijn van het heffen van keurlonen af te zien, zolang andere Lid-Staten daartoe niet zijn overgegaan.

Daargelaten waartoe, indien dit anders zou zijn, dat zou moeten leiden, faalt ook overigens appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar stelt appellante terecht dat zij - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet de mogelijkheid had om voor controles door de IGB te opteren, maar van gelijke gevallen is hier geen sprake. Die controles hebben immers betrekking op voor de binnenlandse afzet bestemde producten op grond van de Vleeskeuringswet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (thans: Volksgezondheid, Welzijn en Sport) met het oog op de volksgezondheid en niet op de onderhavige producten, waarvan de keuringen worden gereguleerd door de Veewet en plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van de Minister met het oog op de (eventuele) export. Evenmin kan ten aanzien van de keuring van vis van gelijke gevallen worden gesproken.

2.16 Appellante heeft in beroep gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de RVV de haar in rekening gebrachte werkzaamheden niet daadwerkelijk heeft verricht en dat in dat opzicht de Regeling onjuist is toegepast. Van de door haar in beroep gestelde eventuele willekeur in bezoekfrequentie en controleduur, waarop de rechtbank niet uitdrukkelijk is ingegaan, is evenmin gebleken. Gelet op het voorgaande kunnen de aangevoerde bezwaren van appellante niet tot vernietiging van de beslissing op de bezwaarschriften leiden.

2.17 Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank tot een juist oordeel is gekomen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover bestreden en met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

Gelet op het overwogene, bestaat geen aanleiding gevolg te geven aan de suggestie van appellante om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Met zijn jurisprudentie heeft het Hof van Justitie ten aanzien van de relevante vragen van gemeenschapsrecht reeds voldoende duidelijkheid geschapen.

2.18 De Minister heeft verzocht appellante in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor acht de Afdeling geen termen aanwezig. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep behoefde voor appellante niet evident te zijn dat dit hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover bestreden.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2000

45-119. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,