Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200000907/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebruiksplan Schiphol geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb.

Besluit Minister inzake partieel vaststellen van gebruiksplan Schiphol 1999.

Afdeling beantwoordt de vraag of de vaststelling van het gebruiksplan Schiphol een besluit is in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb, ontkennend. Het gebruiksplan - dat wordt opgesteld met het oog op preventieve handhaving van de geluidszones - bevat slechts een prognose omtrent het toekomstige gebruik van het luchtvaartterrein voor de komende 12 maanden. Aan de vaststelling van het gebruiksplan komt geen zelfstandige betekenis toe. Hierdoor wordt geen rechtsverhouding vastgesteld, gewijzigd of in het leven geroepen. Dit betekent niet dat het vastgestelde gebruiksplan irrelevant is voor de vraag of handhavend kan worden opgetreden, doch wel dat het plan voor het antwoord op deze vraag niet beslissend is. De bevoegdheid tot handhaving vloeit rechtstreeks voort uit de Luchtvaartwetgeving en ontstaat eerst indien sprake is van een (dreigende) overschrijding van de vastgestelde geluids- en veiligheidszone. Het gebruiksplan is voorts niet beslissend voor de toewijzing van slots. De zogeheten declared capacity - en niet het gebruiksplan - vormt het kader waarbinnen de slotcoördinator tot het toewijzen van slots kan overgaan.

Bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder

mrs. P. van Dijk, J.H. Grosheide, J.A.M. van Angeren

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Luchtvaartwet 30b
Luchtvaartwet 30b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2000, 197K
Module Ruimtelijke ordening 2000/3223
JB 2000/253
JOM 2006/434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad vanState

200000907/1.

Datum uitspraak: 10 augustus 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam, en anderen, appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11 januari 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het gebruiksplan Schiphol 1999 partieel vastgesteld.

Bij besluit van 11 mei 1999 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 januari 2000, verzonden op 20 januari 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 16 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 april 2000 heeft N.V. Luchthaven Schiphol een nadere memorie ingediend.

Bij brief van 3 mei 2000 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J. Reiss, ambtenaar ten departement, zijn verschenen. Tevens heeft mr. Th.J. Douma, advocaat te Haarlem, namens de N.V. Luchthaven Schiphol, die met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht als partij tot het geding is toegelaten, het woord gevoerd.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a van de Luchtvaartwet (hierna: de wet), voor zover hier van belang, zendt de exploitant van een luchtvaartterrein de Minister een voorstel inzake het gebruik van het luchtvaartterrein voor een periode van 12 achtereenvolgende maanden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, onder a, bevat het gebruiksplan een voorstel voor de wijze waarop het luchtvaartterrein zal worden gebruikt, met inbegrip van de door de exploitant van het desbetreffende luchtvaartterrein twee maal per jaar vast te stellen capaciteit. Ingevolge het derde lid van artikel 30b van de wet stelt de Minister het gebruiksplan binnen zes weken vast, indien is aangetoond dat het gebruik van het luchtvaartterrein zoals aangeven in het gebruiksplan niet zal leiden tot een hogere geluidsbelasting dan is toegelaten volgens de voor het luchtvaartterrein op grond van de artikelen 25a, 25b en 25c vastgestelde zones en de op grond van artikel 24, derde lid, of op andere wijze gestelde voorschriften en maatregelen die zijn gericht op het voorkomen of bestrijden van geluidhinder, in acht zijn genomen.

2.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de vaststelling van het gebruiksplan Schiphol 1999 (hierna: het plan) een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb.

2.4. De Afdeling is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Het gebruiksplan - dat wordt opgesteld met het oog op preventieve handhaving van de geluidszones - bevat slechts een prognose omtrent het toekomstige gebruik van het luchtvaartterrein voor de komende 12 maanden. Aan de vaststelling van het gebruiksplan komt geen zelfstandige betekenis toe. Hierdoor wordt geen rechtsverhouding vastgesteld, gewijzigd of in het leven geroepen. Dit betekent niet dat het vastgestelde gebruiksplan irrelevant is voor de vraag of handhavend kan worden opgetreden, doch wel dat dit plan voor het antwoord op deze vraag niet beslissend is. De bevoegdheid tot handhaving vloeit rechtstreeks voort uit de Luchtvaartwetgeving en ontstaat eerst indien sprake is van een (dreigende) overschrijding van de vastgestelde geluids- en veiligheidszone.

2.5. De opvatting van appellanten dat het gebruiksplan beslissend is voor de toewijzing van slots wordt niet gedeeld. Krachtens artikel 3 van het Besluit Slotallocatie is de slotcoördinator gebonden aan de door de exploitant van een luchtvaartterrein vastgestelde capaciteit die ten grondslag ligt aan het door de Minister telkenmale vastgestelde gebruiksplan. Aan de hand van het in het gebruiksplan vermelde aantal vliegbewegingen voor de komende 12 maanden berekent de exploitant de capaciteit. Dit betreft, aldus de definitie in het Besluit, voor zover hier van belang, de op en rond een luchtvaartterrein aanwezige hoeveelheid voor het luchtverkeer beschikbare gebruiksruimte met inbegrip van de voor het luchtverkeer beschikbare hoeveelheid geluidsruimte. De berekende zogeheten declared capacity - en derhalve niet het gebruiksplan zelve - vormt het kader waarbinnen de siotcoördinator tot toewijzing van slots kan overgaan.

2.6. De jurisprudentie waarnaar appellanten, ter onderbouwing van hun stelling dat hier sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, voornoemd, hebben verwezen, kan hier niet analoog worden toegepast, nu in die zaken - anders dan hier - steeds sprake was van een uit de desbetreffende handeling rechtstreeks voortvloeiend - en beoogd - rechtsgevolg.

2.7. Op grond van het vorenstaande dient te worden geconcludeerd dat - de vaststelling van - het gebruiksplan niet is gericht op rechtsgevolg en dat de Minister de bezwaren van appellanten hiertegen derhalve terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.8. Het hoger beroep is mitsdien ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H. Grosheide en i mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid, van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2000

15.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,