Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903661/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199903661/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vader] te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 3 november 1999 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) aan appellant kenbaar gemaakt voornemens te zijn om geslachtsnaamswijziging van zijn dochters [dochter], [dochter 1] en [dochter 2] voor inwilliging voor te dragen.

Bij besluit van 11 november 1998 heeft de Staatssecretaris het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 november 1999, verzonden op 16 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 maart 2000 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr W.G.H. Janssen, advocaat te Leiden, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door J.L. Roozendaal, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts waren aanwezig [moeder], [dochter], [dochter 1] en [dochter 2]

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek - voor zover hier van belang - kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek door de Koning worden gewijzigd. In het zesde lid van dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien de Minister van Justitie voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, hij dit voornemen aan alle belanghebbenden meedeelt, welke mededeling geldt als een beschikking.

Het terzake gevoerde beleid is neergelegd in het Besluit van 6 oktober 1997 (Stb. 1997, 463), houdende regels voor geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit).

2.2. Appellant betoogt ten eerste dat de Staatssecretaris en de rechtbank hebben miskend dat het Besluit geen grondslag biedt voor de gevraagde naamswijziging van zijn stiefdochter [docheter]. Hij heeft aangegeven dat de naamswijziging op instigatie van haar moeder is aangevraagd toen zij nog minderjarig was, en minderjarige kinderen, van wie de geslachtsnaam reeds is gewijzigd, ingevolge het Besluit niet opnieuw voor naamswijziging in aanmerking kunnen komen.

2.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Staatssecretaris aan het bezwaar van appellant voorbij kon gaan, omdat [dochter] op het moment dat het voornemen werd aangekondigd vanwege haar meerderjarigheid aan het Besluit aanspraak op geslachtsnaamswijziging kon ontlenen en dit zelf ook wilde. Dit betoog faalt derhalve.

2.4. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Staatssecretaris op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de belangen van zijn dochters zich niet tegen de naamswijziging verzetten. De beantwoording van die vraag vergde volgens appellant een diepgaand onderzoek, omdat er, naar hij heeft gesteld, sprake is van een vooropgezet plan van de moeder om de verwijdering tussen hem en zijn dochters te vergroten. Appellant wenst een goede band met zijn dochters te behouden en is van mening dat naamswijziging de mogelijkheid daartoe zou kunnen doorkruisen.

2.5. Ook dit betoog faalt. Uit het terzake door de Raad voor de Kinderbescherming opgestelde rapport blijkt dat de opstellers van dit rapport zich hebben beraden over de door appellant geschetste problematiek. Een aan de Raad voor de Kinderbescherming verbonden orthopedagoog heeft een aanvullend onderzoek naar de situatie verricht. Deze adviseerde de naamswijziging voor inwilliging voor te dragen, aangezien de kinderen zich anders juist meer tegen hun vader zouden kunnen gaan afzetten.

De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet staande kan worden gehouden dat de Staatssecretaris, in het bijzonder gelet op genoemde rapporten - die niet als gebrekkig of ontoereikend kunnen worden gekwalificeerd - niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn voornemen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr B. van Wagtendonk, Lid van de Enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Muller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2000

242.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

[Noot van de redactie: de uitspraak in eerste aanleg in deze zaak van de rechtbank Den Haag van 19 november 1999 is in te zien onder Elronummer AA6824]