Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199900115/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/203
AB 2000, 327
Gst. 2000-7124, 3

Uitspraak

Raad van State

199900115/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], appellante,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Breda van 23 maart 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Breda.

1 Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 1998 heeft de burgemeester van Breda (hierna: de burgemeester) krachtens artikel 66 van de Algemene plaatselijke verordening Breda 1997 (hierna: de APV) de sluiting bevolen van het voor publiek toegankelijke gedeelte van het perceel [adres] te [woonplaats] voor een periode van drie maanden.

Bij besluit van 29 augustus 1998 heeft de burgemeester het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 maart 1999, verzonden op 6 april 1999, heeft de! president van de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de president) het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 1999 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 1999, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. L. de Jong, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door drs. F.J.P. Ewalds, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Onder verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer, is bepaald dat de zaak verder wordt behandeld op de zitting van 7 maart 2000. Daar zijn appellante in persoon, bijgestaan door mr. K.A.J.C.M. van Meerwijk, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door drs. F.J.P. Ewalds, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de APV is het de rechthebbende op en de beheerder en/of gebruiker van een inrichting verboden, hetzij bij herhaling, hetzij uit winstbejag daarin:

a. aan anderen de gelegenheid te geven prostitutie te plegen dan wel daarin prostitutie toe te laten;

b. personen toe te laten of te dulden die met het kennelijk doel prostitutie uit te lokken deze inrichting bezoeken.

Onder inrichting wordt verstaan een gebouw of een voer- of vaartuig, dan wel enig gedeelte daarvan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de burgemeester de sluiting bevelen van een inrichting als bedoeld in het eerste lid in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat. Hij maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting. De sluiting wordt van kracht op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

2.2. Het sluitingsbevel heeft betrekking op het voor publiek toegankelijke gedeelte van de flatwoning van appellante. In de flatwoning, die bestaat uit een woonkamer, twee slaapkamers en een keuken, exploiteert zij onder de naam "[bedrijfsnaam]" een prostitutiebedrijf.

2.3. Vast staat dat appellante in april 1994 de flatwoning als woning in gebruik heeft genomen en zich op dat adres heeft doen inschrijven in het bevolkingsregister van de gemeente Breda. Naar zij stelt, is zij de flatwoning blijven bewonen, ook nadat zij vanaf maart 1995 de flatwoning is gaan gebruiken voor de uitoefening van het prostitutiebedrijf. Tijdens de tweede zitting heeft de vertegenwoordiger van de burgemeester desgevraagd verklaard dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante elders haar hoofdverblijf heeft en dat niet valt uit te sluiten dat zij ter plaatse daadwerkelijk woont. De Afdeling ziet geen reden de stelling van appellante, dat zij de flatwoning daadwerkelijk bewoont, niet voor juist te houden.

2.4. De omstandigheid dat er vanuit moet worden gegaan dat de flatwoning als woning in gebruik is, leidt tot het oordeel dat het sluitingsbevel een beperking vormt van het in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet neergelegde recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het tijdens de tweede zitting vanwege de burgemeester ingenomen standpunt dat de geheel als bordeel ingerichte flatwoning overwegend wordt gebruikt voor prostitutie en als zodanig is aan te merken als een voor het publiek openstaande inrichting, doet aan dat oordeel niet af.

Gewezen zij in dit verband op de uitspraak van 28 augustus 1995, no. H01.95.0073, gepubliceerd AB 1996, 204, waarin de Afdeling reeds heeft overwogen dat een woning die als zodanig in gebruik is, naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer van haar bewoner(s) behoort, ook indien die woning daarnaast nog een andere functie vervult. In dit geval ligt dat niet anders. Dat, naar van de kant van de burgemeester nog is verklaard, het op grond van het sluitingsbevel appellante niet is verboden de flatwoning te betreden, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het sluitingsbevel wel tot gevolg heeft dat het appellante verboden is in haar woning bezoek te ontvangen, hetgeen een ernstige inperking is van de normale woonfunctie.

De Afdeling merkt in dit verband voorts op dat de omstandigheid dat het sluitingsbevel is beperkt tot het voor het publiek toegankelijke gedeelte van de flatwoning zonder betekenis is, reeds omdat, naar ook niet in geschil is tussen partijen, de prostitutie-activiteiten niet beperkt zijn tot een afgebakend gedeelte van de flatwoning, dat te onderscheiden is van een privé-gedeelte.

2.5. Een beperking van het in artikel 10, eerste lid, voornoemd, neergelegde recht is volgens die bepaling slechts toegestaan op basis van een wet in formele zin. Omdat artikel 66 van de APV niet de vereiste basis biedt, verdraagt het op dat artikel gebaseerde sluitingsbevel zich niet met artikel 10 van de Grondwet.

2.6. De president heeft dat miskend. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen door het beroep alsnog gegrond te verklaren, de beslissing op bezwaar te vernietigen en, zelf voorziende in de zaak, het primaire besluit te herroepen.

2.7. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietig de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Breda van 23 maart 1999, 99/400 VEROR VIE;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Breda van 29 augustus 1998, JZ/98/147;

V. herroept het besluit van de burgemeester van 2 juli 1998, CS/KABII;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de burgemeester van Breda in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 3.530,--, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Breda te worden betaald aan appellante;

VIII. gelast dat de gemeente Breda aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van f 225,-- onderscheidenlijk f 340,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. J.A.E. van der Does en mr. P. van Dijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van de voorzitter:

w.g. Van Dijk w.g. Haan

Lid van de meervoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2000

27.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,