Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901636/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 7.12
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 7.61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/166 met annotatie van R.J.N. S
AB 2000, 365

Uitspraak

Raad van State

199901636/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] te [woonplaats] appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 juli 1999 in het geding tussen:

appellant

en

het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 1998 heeft de Examencommissie van de Faculteit [faculteit] van de Universiteit Maastricht (hierna: de Examencommissie) aan appellant medegedeeld de op 28 januari 1998 opgemaakte beoordeling van de stage interne geneeskunde te handhaven.

Bij besluit van 4 juni 1998 heeft het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (hierna ook: het College van beroep) het hiertegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 1999 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 september 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 oktober 1999 heeft het College van beroep een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. K.M. van Holten, advocaat te Den Haag en het College van beroep, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Derks, gemachtigde, zijn verschenen. Tevens is gehoord [vader], de vader van appellant.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 13 maart 1996 heeft de stagecoördinator in [stageplaats],. [coördinator] (hierna: [coördinator]), de door appellant doorlopen stage [stage] als voldoende beoordeeld.

2.2. In juli 1996 heeft [coördinator] op verzoek van de Examencommissie het besluit van 13 maart 1996 gewijzigd en de door appellant doorlopen stage als onvoldoende beoordeeld.

2.3. Bij besluit van 28 januari 1998 heeft [coördinator], wederom op verzoek van de Examencommissie, een nieuw stagebeoordelingsformulier ingevuld en daarbij het functioneren tijdens de stage met een vier beoordeeld. De eindbeoordeling "onvoldoende" is gehandhaafd.

2.4. Ingevolge artikel 7.12, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens een examencommissie in.

Ingevolge artikel 7.12, derde lid, eerste volzin, wijst de examencommissie ten behoeve van het afnemen van tentamens examinatoren aan.

2.5. Uit de in artikel 7.12 van de WHW neergelegde taak- en bevoegdheidsverdeling tussen de Examencommissie en de examinatoren volgt, dat de Examencommissie niet bevoegd is tot het afnemen van tentamens noch tot het vaststellen van de uitslag daarvan. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de met toepassing van artikel 7.12, derde lid, eerste volzin, van de WHW door de Examencommissie aangewezen examinatoren. Het dwingende karakter van artikel 7.12 van de WHW verzet zich ertegen, dat terzake door de onderwijsinstellingen afwijkende regelingen worden vastgesteld.

2.6. Bij besluit van 13 februari 1998 heeft de Examencommissie aan appellant bericht de gewijzigde beoordeling van 28 januari 1998 te handhaven. Tegen dit besluit heeft appellant administratief beroep ingesteld bij het College van beroep. Gelet op het hiervoor overwogene was de Examencommissie echter niet bevoegd een dergelijk besluit te nemen, dat immers ziet op de vaststelling van de uitslag van een tentamen. Dit besluit had in zoverre dan ook - onder gegrondverklaring van het administratief beroep - moeten worden vernietigd. De rechtbank en het college hebben dit miskend.

2.7. Appellant heeft zich steeds op het standpunt gesteld, dat de bij besluit van 13 maart 1996 als voldoende beoordeelde stage op een later tijdstip niet alsnog als onvoldoende kan worden beoordeeld. Naar ter zitting is komen vast te staan, heeft appellant - nadat hem was gebleken dat de stagebeoordeling was gewijzigd - bij brief van 28 augustus 1996 te kennen gegeven zich met deze wijziging niet te kunnen verenigen. Deze brief, die in zoverre moet worden aangemerkt als een administratief beroepschrift, is door de Examencommissie ten onrechte niet doorgezonden aan het College van beroep. Uit de beslissing van het college blijkt evenwel, dat desondanks mede is beoordeeld of appellant er in redelijkheid op heeft mogen vertrouwen dat de beoordeling van 13 maart 1996 niet zou worden gewijzigd. Gelet hierop gaat de Afdeling er bij de beoordeling van het hoger beroep van uit dat het besluit van het college geacht moet worden tevens betrekking te hebben op het op 28 augustus 1996 door appellant ingestelde administratief beroep.

2.8. Niet in geschil is dat een beoordeling voor een stage in het kader van de opleiding geneeskunde, als die welke aan het onderhavige geschil ten grondslag ligt, moet worden aangemerkt als een tentamen in de zin van de WHW.

2.9. Vast staat, dat aan appellant omstreeks 13 maart 1996 een stagebeoordelingsformulier is toegezonden. Uit dit formulier, dat is ondertekend door de stagebegeleider,. [begeleider], en door

[coördinator], blijkt dat de stage als voldoende is beoordeeld.

2.9.1. De vraag of de stagebegeleider, de stagecoördinator in [stageplaats] dan wel beiden zijn aan te merken als examinator in de zin van de WHW kan onbeantwoord blijven, aangezien het eerste stagebeoordelingsformulier door beiden is ondertekend.

Met de ondertekening van het stagebeoordelingsformulier door een daartoe bevoegde examinator is de uitslag van het tentamen vastgesteld. Nu tegen de beoordeling niet binnen de in artikel 7.61, derde lid, van de WHW gestelde termijn beroep is ingesteld, is deze in rechte onaantastbaar geworden. Hieraan doet niet af, dat in artikel 25, eerste lid, van de Onderwijs- en examenregeling FDG 1995/1996 (hierna: de OER) is bepaald dat de uitslag van het tentamen wordt vastgesteld door de Examencommissie. Het stond de Raad van de Faculteit [studie] - gelet op de bewoordingen van artikel 7.12 van de WHW - niet vrij terzake een van de WHW afwijkende regeling te treffen.

2.9.2. Dat het beoordelingsformulier in rechte onaantastbaar is geworden, betekent niet, dat het onder alle omstandigheden is uitgesloten dat de examinator op het besluit terugkomt. Hiertoe kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan indien het besluit in strijd met de toepasselijke wet- en regelgeving

tot stand is gekomen.

Op het op 13 maart 1996 ingevulde stagebeoordelingsformulier is gebruik gemaakt van de kwalificatie "Twijfelachtig" bij de beoordeling van het functioneren tijdens de stage. Het gebruik van deze kwalificatie was op grond van de Regels en Richtlijnen met ingang van het studiejaar 1995-1996 evenwel niet meer toegestaan, hetgeen ook appellant had kunnen weten. Gelet hierop was de examinator in beginsel bevoegd het besluit van 13 maart 1996 op zodanige wijze aan te passen dat de beoordeling paste binnen het door de OER en de Regels en Richtlijnen gegeven beoordelingskader.

2.9.3. De op 13 maart 1996 opgemaakte beoordeling is door de Examencommissie teruggezonden aan [coördinator] met het verzoek het formulier overeenkomstig het in de Regels en Richtlijnen gestelde in te vullen.

In juli 1996 is de gewijzigde beoordeling door de examinator teruggestuurd aan de Examencommissie. Van het verzoek de beoordeling te wijzigen noch van de gewijzigde beoordeling is appellant door de examinator of de Examencommissie op de hoogte gesteld. Evenmin is aan appellant een exemplaar van de gewijzigde beoordeling toegezonden. Gelet hierop en gelet op het tijdsverloop tussen het vaststellen van de oorspronkelijke en van de eerste gewijzigde beoordeling, is de Afdeling van oordeel, dat de examinator met het wijzigen van de beoordeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. De rechtbank en het College van beroep hebben dit miskend.

2.10. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de beslissing van het College van beroep vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht - onder gegrondverklaring van het door appellant ingestelde administratieve beroep - het besluit van de Examencommissie van 13 februari 1998 en de besluiten van [coördinator] van juli 1996 en 28 januari 1998 alsnog vernietigen

2.11. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen appellant voor het overige in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen bespreking meer.

2.12. Het College van beroep dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 juli 1999, AWB 9815271 BESLU;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht van 4 juni 1998, CBE/AD/LF 98-198;

V. verklaart het door appellant ingestelde administratief beroep gegrond;

VI. vernietigt het besluit van de Examencommissie van de Faculteit [faculteit] van de Universiteit Maastricht van 13 februari 1998, BO 98-25.070;

VII. vernietigt de in juli 1996 en op 28 januari 1998 door [coördinator] vastgestelde gewijzigde beoordelingen;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 4 juni 1998;

IX. veroordeelt het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Universiteit Maastricht te worden betaald aan appellant.

X. gelast dat de Universiteit Maastricht aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 550,00) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.H. Grosheide, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaarop 26 mei 2000

66-284.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,