Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199903894/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199903894/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 11 november 1999 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1 Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) appellant de verplichting opgelegd zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de geschiktheid.

Bij besluit van 25 juni 1998 heeft de Minister het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 november 1999, verzonden op 24 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2000 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.C.P. van Kollenburg, advocaat te Etten-Leur, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.W. ter Heijden, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Partijen geven een verschillend antwoord op de vraag of de Minister zijn bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit dat appellant zich dient te onderwerpen aan een EMA, omdat hij als bestuurder van een motorrijtuig met een ademalcoholgehalte van 835 µg/l is aangehouden, in redelijkheid heeft kunnen baseren op door de politie op 13 en 14 december 1997 opgemaakte processen-verbaal, met voorbijgaan aan de verklaring van zijn toenmalige vriendin van 20 december 1997 dat zij de auto de hele rit heeft bestuurd en de verklaringen van getuigen dat deze vriendin vanaf het café achter het stuur plaatsnam, terwijl appellant inmiddels door de politierechter van overtreding van artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is vrijgesproken.

2.2 Op grond van de stukken, waaronder genoemde processen-verbaal en verklaringen, is de Afdeling van oordeel dat de Minister in redelijkheid kon aannemen dat appellant met genoemd alcoholgehalte, in ieder geval te eniger tijd op 13 december 1997, bestuurder van het bij het eenzijdig ongeval betrokken voertuig is geweest. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in de uitspraak van 26 augustus 1999, no. H01.99.0210 (AB 1999/429), is, anders dan appellant heeft betoogd, het opleggen van de verplichting zich te onderwerpen aan een EMA geen "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op het opleggen van de EMA is genoemde verdragsbepaling dan ook niet van toepassing. Ten slotte leidt het betoog van appellant dat het aan hem opleggen van de EMA geen enkele zin heeft, omdat hij zich er zeer bewust van is dat hij onder invloed van alcohol geen motorrijtuig kan of mag besturen, evenmin tot het oordeel dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven.

2.3 De rechtbank is op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2000

119.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,