Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199901545/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad vanState

199901545/1

Datum uitspraak: 19 MEI 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Culemborg, appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 29 juni 1999 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

1 Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 1997 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken, thans: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de definitieve bijdrage in de kosten van de bestrijding van de wateroverlast in 1995 voor de gemeente Culemborg vastgesteld op f 721.871,32.

Bij besluit van 1 december 1997 heeft de minister het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en een aanvullende bijdrage vastgesteld van f 25.318,00. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 6 april 1999 heeft de minister een aanvullende bijdrage vastgesteld van f 247.120,00.

Bij uitspraak van 29 juni 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhern (hierna: de rechtbank) het door appellanten tegen het besluit van 1 december 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 januari 2000 heeft de minister een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door R.G. Daale, werkzaam bij de gemeente Culemborg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. J.G. Ketelaars, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 25 van de Wet rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet) kan uit 's Rijks kas een bijdrage worden verleend in de kosten die voor de gemeenten voortvloeien uit de daadwerkelijke bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit rijksbijdragen gemeenten bij rampen en zware ongevallen (hierna: het Besluit) wordt de bijdrage, bedoeld in artikel 25 van de Wet, vastgesteld op de voet van het bepaalde in dit besluit.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit kan Onze Minister op aanvraag van het gemeentebestuur een bijdrage in de kosten toekennen indien de kosten f 100.000,00 of meer bedragen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en respectievelijk onder a en b, van het Besluit wordt een bijdrage in de kosten toegekend voor die uitgaven welke niet geacht kunnen worden in de begroting te zijn opgenomen en waarvoor niet op andere wijze een bijdrage wordt verleend dan wel kan worden verleend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit wordt de bijdrage, bedoeld in artikel 3, toegekend onder aftrek van een ten laste van de gemeente komend aandeel in de kosten.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel bedraagt het ten laste van de gemeente komend aandeel in de kosten per ramp of zwaar ongeval f 5,00 per inwoner per 1 januari van het voorgaande jaar.

2.2. Uit de systematiek van deze bepalingen volgt dat voor de vaststelling van de hoogte van de bijdrage als bedoeld in artikel 2 van het Besluit, eerst moet worden vastgesteld ten aanzien van welke kosten een bijdrage kan worden verleend en dat vervolgens van deze bijdrage het eigen aandeel wordt afgetrokken. De Afdeling verwerpt dan ook het betoog van appellanten dat de voor hun rekening blijvende kosten van de bestrijding van de wateroverlast niet mogen uitkomen boven het in artikel 4, tweede lid, van het Besluit genoemde eigen aandeel in de kosten van f 5,00 per inwoner.

2.3. De minister heeft op grond van een daartoe genomen kabinetsbesluit aan particulieren, die vanwege de wateroverlast moesten worden geëvacueerd, een bijdrage van f 500,00 per huishouden toegekend.

De uitvoering van deze regeling is aan de gemeenten opgedragen die daarvoor van de minister een vergoeding van f 2,00 per uitkering hebben gekregen. Appellanten hebben betoogd dat deze vergoeding in hun geval niet toereikend is geweest en dat zij op grond van artikel 108 van de Gemeentewet voor vergoeding van de meerkosten in aanmerking komen. Subsidiair hebben zij zich op het standpunt gesteld dat zulks volgt uit de toelichting op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit, waarin staat dat "een bijdrage op grond van dit besluit niet wordt toegekend, voorzover de gemeente op een andere wijze een bijdrage heeft verkregen of heeft kunnen verkrijgen".

2.3.1. Ingevolge artikel 108, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen regeling en bestuur van het gemeentebestuur worden gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet ter verzekering van de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van aanwijzingen aan het gemeentebestuur en het aan het gemeentebestuur opleggen of in zijn plaats vaststellen van besluiten, slechts kan geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij de wet of krachtens de wet bij provinciale verordening is toegekend.

Ingevolge het derde lid van dat artikel, voor zover hier van belang, worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken gemeente blijven, door het Rijk aan hen vergoed.

2.3.2. Naar het oordeel van de Afdeling is in de Wet, noch in het Besluit, een bepaling aan te wijzen die een grondslag zou kunnen vormen voor de door de minister van appellanten gevorderde medewerking aan de uitvoering van de f 500,00-regeling, zodat de voor het aannemen van medebewind vereiste wettelijke basis ontbreekt. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door appellanten gedeclareerde meerkosten van de uitvoering van die regeling niet voor vergoeding ingevolge het derde lid van artikel 108 van de Gemeentewet in aanmerking komen.

2.3.3. Verder deelt de Afdeling het standpunt van de minister dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit aan het toekennen van een bijdrage in de door appellanten gedeclareerde meerkosten van de uitvoering van de f 500,00-regeling in de weg staat, nu appellanten daarvoor al op andere wijze een bijdrage van f 2,00 per uitkering hebben gekregen.

2.4. Zoals uit de toelichting op artikel 1 van het Besluit blijkt, vallen de kosten die worden gemaakt ter voorkoming van een ramp, waarvan niet zeker is of en wanneer deze plaatsvindt, niet onder het Besluit. Nu, naar het oordeel van de Afdeling, de door appellanten getroffen voorzieningen aan infrastructuur en gebouwen zijn aan te merken als preventieve maatregelen in de hiervoor bedoelde zin, komen de kosten daarvan reeds hierom niet voor een bijdrage op grond van het Besluit in aanmerking. Anders dan de rechtbank komt de Afdeling dan ook niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of de omstandigheid, dat op grond van een andere regeling een bijdrage kon worden verkregen, aan het verlenen van een bijdrage op grond van het Besluit in de weg stond.

2.5. De minister heeft het lntergemeentelijk Orgaan Rivierenland een vergoeding toegekend voor de ten behoeve van appellanten gemaakte kosten ter bestrijding van de wateroverlast. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de minister door een bijdrage te weigeren in de door dat orgaan bij appellanten in rekening gebrachte meerkosten, geen onjuiste toepassing aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit heeft gegeven.

2.6. De door de minister op artikel 3, tweede lid, onder a, van het Besluit gebaseerde weigering een bijdrage toe te kennen in de kosten van het personeel van bepaalde gemeentelijke diensten, dat elders is ingezet om taken ter voorkoming en ter bestrijding van de wateroverlast te verrichten, is naar het oordeel van de Afdeling evenmin onjuist, nu, naar niet is weersproken, bedoelde werkzaamheden binnen de reguliere arbeidstijden zijn verricht en de kosten van de inzet van dat personeel zijn doorberekend aan de diensten waarvoor zij ten tijde van de wateroverlast hebben gewerkt. Als zodanig zijn deze kosten in de gemeentelijke begroting opgenomen.

De stelling van appellanten dat sprake is van kosten, doordat als gevolg van de wateroverlast een achterstand in de werkzaamheden is ontstaan, die door de inhuur van derden en door het maken van overuren is weggewerkt, is niet met bewijsstukken onderbouwd, zodat de minister ook een bijdrage in die kosten niet ten onrechte heeft afgewezen.

2.7. Nu de Afdeling evenals de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de minister geen onjuiste toepassing aan de bepalingen van het Besluit heeft gegeven, is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does. Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2000

77-206.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,