Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199902251/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199902251/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, te [woonplaats], appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 augustus 1999 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Sint Antonis.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders van Sint Antonis (hierna: burgemeester en wethouders) aan de gemeente Sint Antonis vergunning verleend voor het kappen van circa 290 m2 gemengd bosplantsoen, staande aan de Breestraat te Sint Antonis, ten behoeve van de bouw van een multifunctioneel centrum aan de Breestraat/Jutta van Nassaulaan.

Bij besluit van 24 november 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover het betrekking heeft op het ontbreken van een schouwrapport, en voor het overige ongegrond verklaard. Voorts hebben zij hun besluit van 8 juni 1998 herroepen en een nieuwe kapvergunning verleend voor het kappen van circa 290 m2 gemengd bosplantsoen, staande aan vorenbedoeld perceel. Dit besluit en het advies van Commissie Bezwaar- en Beroepschriften van 2 november 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 augustus 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellanten tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 13 september 1999, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 december 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

1

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P.J.J. Verhoeven, wethouder, en A.P.M. Diebels, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Sint Antonis (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.5.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de APV wordt onder houtopstand verstaan: hakhout, een houtwal of een of meer bomen, en wordt onder hakhout verstaan: een of meer bomen die na te zijn geveld opnieuw op de stronk uitlopen.

2.2. De APV bevat geen voorschriften met criteria waaraan aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 4.5.2, eerste lid, worden getoetst.

2.3. Burgemeester en wethouders hanteren, naar in het bij de rechtbank bestreden besluit is uiteengezet en ter zitting nader is toegelicht, bij de beoordeling van aanvragen om kapvergunning als bedoeld in artikel 4.5.2 van de APV als beleidsuitgangspunt dat vergunningaanvragen in beginsel worden gehonoreerd, tenzij zwaarwegende belangen, met name gelegen op het gebied van de bescherming van het natuurschoon en het uiterlijk aanzien van de gemeente, zich daartegen verzetten. Daartoe wordt van de betrokken houtopstand een ambtelijk schouwrapport opgemaakt.

2.4. Er is geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders dit beleiduitgangspunt niet mochten hanteren.

Appellanten hebben ook niet betoogd dat dat anders is.

2.5. Waar het hoger beroep van appellanten, evenals hun beroep, zich wel tegen richt, is het standpunt van burgemeester en wethouders dat zich in dit geval geen zwaarwegende belangen tegen het verlenen van de kapvergunning verzetten. In het bijzonder hebben zij gesteld dat het schouwrapport onjuiste informatie bevat.

2.6. Volgens het schouwrapport van 29 oktober 1998, dat ten behoeve van de beslissing op bezwaar alsnog is opgemaakt, draagt de houtopstand, die bestaat uit berken, eiken en struikgewas, niet bij tot het vergroten of instandhouden van de leefbaarheid van de woonomgeving, is de houtopstand niet beeldbepalend, heeft de houtopstand geen monumentale, ecologische, natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en draagt de houtopstand niet bij tot het dorpsschoon, omdat de houtopstand een rommelige indruk maakt.

2.7. Gelet op de inhoud van dit rapport is er geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat zich in dit geval geen zwaarwegende belangen, met name gelegen op het gebied van de bescherming van het natuurschoon en het uiterlijk aanzien van de gemeente, tegen vergunningverlening verzetten.

2.8. Het vorenstaande betekent dat de vergunningverlening in overeenstemming is met het beleid. Afwijking daarvan was slechts mogelijk als er sprake zou zijn geweest van bijzondere omstandigheden.

2.9. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, biedt geen aanknopingspunt om te oordelen dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden. De blijkbaar door hen van het inmiddels ter plaatse nieuw gebouwde multifunctioneel centrum ondervonden overlast - met name vanwege de uitrit van de daartoe behorende brandweerkazerne - kan bij de beoordeling van de aanvraag om kapvergunning geen rol spelen. Met de rechtbank moet dan ook worden geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de belangen die daarbij zijn betrokken, niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten zoals zij hebben gedaan.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.R. Bakker, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Groverman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bakker w.g. Groverman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2000

110-.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,