Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2000
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
199902237/01.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of deze voorzienbaarheid van een planologische verandering in het desbetreffende gebied in het algemeen, in dit geval voldoende reden is om de planschade voor rekening van [bezwaarde] te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2001/57
Module Ruimtelijke ordening 2000/4001

Uitspraak

Raad van State

199902237/01.

Datum uitspraak: 11 mei 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Cranendonck, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 juli 1999 in het geding tussen:

[bezwaarde]

en

appellant.

1 Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 1997 heeft appellant het verzoek van [bezwaarde] (hierna te noemen: [bezwaarde]) van 21 september 1996 om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), afgewezen.

Bij besluit van 16 juni 1998 heeft appellant het hiertegen door [bezwaarde] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 8 januari 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 juli 1999, verzonden op 3 augustus 1999, voorzover hier van belang, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 september 1999, bij de Raad van State per fax ingekomen op 14 september 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 november 1999 heeft [bezwaarde] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 februari 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door C.A.M. Evers, ambtenaar bij de gemeente, en [bezwaarde], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Het geschil betreft de weigering om aan [bezwaarde] planschade te vergoeden op grond van dit artikel. Vast staat dat zij schade heeft geleden ten gevolge van de bepalingen van het bestemmingsplan "Molenheide". In dat plan is, vergeleken met het daarvoor geldende "Uitbreidingsplan in onderdelen Sterksel en Soerendonk", de mogelijkheid om op haar perceel, gelegen aan [adres], een tweede woning te bouwen, vervallen. In geschil is uitsluitend of deze planschade redelijkerwijs ten laste van [bezwaarde]behoort te blijven.

2.2.1. Bij de beslissing op bezwaar van 16 juni 1998 heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat [bezwaarde], door van de destijds bestaande bouwmogelijkheden geen gebruik te maken, het risico heeft aanvaard dat deze bouwmogelijkheden zouden kunnen vervallen. Omdat het onderhavige perceel was begrepen in een plan dat dateerde uit 1960, lag het volgens appellant in de lijn der verwachtingen dat er planologische wijzigingen zouden plaatsvinden, ook omdat [bezwaarde] ten tijde van de planwijziging in 1989 op verzoek van de voormalige gemeente Maarheeze grond aan haar heeft verkocht in verband met de verwezenlijking van een bedrijventerrein [lokatie].

2.3. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van passieve risico-aanvaarding door [bezwaarde] in evenbedoelde zin, heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 1999, no. H01.97.1618, gepubliceerd in AB 1999, 236 - terecht vooropgesteld dat het moet gaan om een nadelige planwijziging waarvan de voortekenen reeds enige tijd zichtbaar waren. Om risico-aanvaarding te mogen aannemen is niet vereist dat de plannen om de bestaande bebouwingsmogelijkheden op het desbetreffende perceel te laten vervallen zodanig concreet waren, dat de betrokken eigenaar hiermee volledig rekening kon en moest houden. Voldoende is dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op dat perceel zou gaan veranderen, in een voor die eigenaar negatieve zin.

2.3.1. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het enkele feit dat het in dit geval om een oud plan ging nog niet met zich brengt dat het reeds om die reden voor [bezwaarde] voorzienbaar was dat het planologische regime zou gaan wijzigen. Als zelfstandige grond kan dit aspect de beslissing op bezwaar niet dragen. Dit feit dient wel mee te wegen als relevante omstandigheid bij de bepaling van de voorzienbaarheid. In aanmerking genomen dat [bezwaarde] in het plangebied, [lokatie], gelegen gronden eind jaren tachtig heeft verkocht om de vestiging van een bedrijventerrein aldaar mogelijk te maken, had [bezwaarde] kunnen en moeten voorzien dat een algemene wijziging in het toenmalige planologische regime zou kunnen optreden, wat door haar overigens ook niet wordt betwist. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of deze voorzienbaarheid van een planologische verandering in het desbetreffende gebied in het algemeen, in dit geval voldoende reden is om de planschade voor rekening van [bezwaarde] te laten. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe overwogen dat het perceel [adres] is gelegen binnen de bebouwde kom, dat het in het algemeen niet voor de hand ligt dat bouwplaatsen binnen die kom vervallen en dat niet is gebleken dat daarover in het geval van [bezwaarde] anders moet worden gedacht. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de aanleg van het bedrijventerrein op zichzelf geen invloed heeft op de mogelijkheden voor woningbouw in de omgeving van het perceel [adres]. De Afdeling kan de rechtbank hierin volgen. Uit de beslissing op bezwaar en de daaraan ten grondslag gelegde stukken blijkt ook naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende dat [bezwaarde] rekening had moeten houden met de kans dat specifiek ten aanzien van het onderhavige perceel [adres] een wijziging in negatieve zin zou plaatsvinden. Door de nadruk te leggen op de ouderdom van het plan en op de ontwikkelingen met betrekking tot het bedrijventerrein en deze aspecten aldus kennelijk als belangrijkste afwijzingsgrond te hanteren, heeft appellant de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd. Deze beslissing is daarmee genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.3.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd doet aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank niet af. Appellant heeft eerst bij het hoger-beroepschrift een brief aan [bezwaarde] van 27 juni 1983 overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat de nadelige wijziging wel voorzienbaar was. Met dit eerst in een zeer laat stadium overgelegde stuk kan het aan de beslissing op bezwaar klevende motiveringsgebrek echter niet worden geheeld, daargelaten dat deze brief niet zonder meer kan dienen ter ondersteuning van de juistheid van het standpunt van appellant, aangezien deze, naar ter zitting is gebleken, ziet op een ander perceel dan het onderhavige. Hetgeen appellant voorts heeft gesteld over het uit 1983 daterende bestemmingsplan "Dorpsakkers", waaruit volgens hem al zou blijken dat verdichting van het gebied waarin het perceel [adres] is gelegen ongewenst werd gevonden en dat daarom rekening moest worden gehouden met het vervallen van de bouwmogelijkheden ter plekke, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Nog afgezien van de omstandigheid dat de Afdeling de juistheid van dit betoog bij gebreke van gegevens niet heeft kunnen nagaan, is dit aspect bij de beslissing op bezwaar onvoldoende uitgewerkt en doet het derhalve op zichzelf evenmin af aan de ondeugdelijkheid van de motivering van die beslissing. Indien de rechtbank met een en ander bekend was geweest en zij aan de hand daarvan had kunnen vaststellen dat de nadelige wijziging voor [bezwaarde] voorzienbaar had moeten zijn, had zij wellicht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen laten, doch in dit stadium van de procedure is er geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het derde lid van artikel 8:72 van de Awb.

2.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Er zijn termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt appellant in de door [bezwaarde] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 268,65; dit bedrag dient door de gemeente Cranendonck te worden betaald aan [bezwaarde].

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2000

18.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,